Benno Barnard

Een bedroefde emigrant (2)

'Ik zit in diepediepe Geld Nood.' Brieven van Jeroen Brouwers aan Benno Barnard toen deze laatste in Amerika verbleef.

Het pak brieven van Jeroen Brouwers aan mijn vroegere zelf omvat 65 pagina's, verdeeld over achttien (18) zendingen. De eerste brief dateert van 22 september 1987, de laatste van 8 april 1988. Al deze brieven zijn tamelijk lang, met uitzondering van een aan één zijde beschreven vel ('Exel, 13.XII.1987') dat klaarblijkelijk een Kerstcadeau in de vorm van tabak begeleidde: 'Benno, is dit de Drum die je verlangt en die daarginds niet te koop is? Zo niet, gooi de troep dan maar weg.' Volgt een anekdote over de 'strontvervelende' uitreiking van de prijzen der Jan Campertstichting: 'Mijn troost bestond er uit dat ik de dames van het fluitconcertorkest, die met hun vieren waren, goed kon zien, en vooral het meisje dat de cello bestreek rechtstreeks tussen haar dijen kon kijken.'

Ik schoot bij deze zin hardop in de lach, net zoals ongetwijfeld in december 1987 - ook de andere brieven verschaften me bij herlezing veel melancholiek jolijt. Ze waren zo te zien merendeels bedoeld om mij wat afleiding te verschaffen, met verhalen over het letterkundige leven in de Lage Landen, hier een grapje, daar een huiselijk tafereeltje, ginds een echo van iets wat ik hem over het leven in dat oervervelende Austin geschreven had, elders een vermaning of een kreet ter aanmoediging; en door dit geheel slingert een guirlande van zuchten en fluisteringen over een verliefdheid op een zekere "P.E.I.", want geheel weemoedloos was het leven in Europa ook niet (die naam was een afkorting van het bij Canada behorende Prince Edward Island, waarheen de geliefde weldra zou emigreren).

De afzender heeft net 'Sire, er zijn geen Belgen voltooid' en ontvangt veel fanmail in reactie op zijn in twee delen verschenen 'Kroniek van een karakter' - over de 'receptie' van dat boek gaat het ook in enkele andere brieven. Zo eindigt het kleinood dat bij de tabakszending hoorde: 'Dag! Dakik paas dagge nu iet te smoren hebt onder uwen kerstden.'

Dialect is nooit Jeroens sterkste punt geweest. De langste brief - 'Exel, 3.XI.1987' - telt zes dichtbeschreven kantjes in een priegelhandschrift en culmineert in een tekening van 'ons beminde klerenjong' Anne, toen een jaar of zeven, die mij 'groetjes' zendt, benevens een lieveheersbeestje en enige blommetjes. Het epistel begint aldus: 'Dierbare Benno, nu eerst een brief aan jou. Het motto voor onze overpeinzing van vandaag nemen wij uit Ecclesiasticus XXIII: "...is als een brandend vuur, / dat niet wordt gebluscht, eer het verslonden heeft."'

Volgt een beschrijving van een bezoek aan het 'Prompand' in Baarn: 'om daar mijn Kroniek 2, van stichtelijke opdrachten voorzien, aan alle in die Kroniek voorkomende correspondenten te doen afzenden. (...) Van Wimha Zeu, die wel een góeie vent is hoor, kreeg ik vele Prom-, Hadewych-, Ambo- en nog andere boekwerken cadeau. Daaronder de bundel 'Ter gedachtenis' van Guillaume van der Graft. "God is een geriefelijk rijm," las ik, toen ik, in het kantoor Zeu nog, het boekje kreeg overreikt en het op een willekeurige plaats even open sloeg. Deze regel hangt nog steeds in mijn kop.'

Verderop komt de legendarische Julien Weverbergh ter sprake, bij wie de twee delen van het grote brievenboek waren verschenen, in een paraplugewijs met de Prom verknoopte editie:

'Julien, - ik zeg dit over hem met "kritische liefde" of zoiets, met loyauteit met hem, welke toch al danig door saggenrijn is aangevreten, met "begrip" voor hem, met warmte en ook weemoedigheid die komt als davond valt, en schud het allemaal maar uit verschillende flessen in één glas, jij weet wel dat ik het goed met hem meen, - Julien dus, is echt een ZAK. Ik zit in diepediepe Geld Nood. Ik vraag Julien: betaal mij, als zulks kan, nu metéén, mijn honoraria voor de verkoop van de delen I en II van mijn Kronieken, en laat mij daar niet tot volgend jaar mei of juni op wachten, ik behoef dat geld nu , want ik sterf bekanst van de Nood Druft. Schrijft hij mij terug: nee, dat kan niet. Argumenten: er is allerlei geld in de zéér dure produktie van die Kronieken gestoken "dat er niet is uitgekomen". De verkoop stelt teleur. Ik heb al zeer vorstelijke voorschotten gehad. Hij, Julien de uitgever, kan geen "uitzondering" voor mij maken, want ik behoor niet tot zijn "fondsauteurs". Vatjenem, Benno? Jij en Jan Vanriet zaten er zelf bij, die dag, dat hij in Louwhoek de drie, vier ordners met mijn brieven kwam halen. (...) Toen ik laatst in Antwerpen was en naast hem in zijn auto zat, zette hij de kar opeens naast de stoeprand neer. Hij stapte uit en verdween in een slagerswinkel. Zeker even een hem door Petrina opgedragen boodschapje? Kwam hij terug en duwde mij in handen: een kilo's wegend pak kottalos, het verse bloed droop er nog uit. Alles onhandig-hartelijk van hem. Ik had hem daarjuist van mijn armoed verteld. Zei: "Zo heb je iets te eten..." J en ik hebben er inderdaad drie dagen van gegeten. Daar komt Petrina met een cadeautje van een halve meter hoogte, met een strik erom, voor ons Anne. Daar bleek, bij uitpakking een pop in te zitten, voorzien van "slaapogen" en "ècht haar", plus jurkje en pyjamaatje en regenjasje en dat soort gekut, waar ons Anne zich te barsten van schrok, zo ondroombaar prachtig bleek deze werkelijkheid te zijn. Er waren ook haarknijpertjes bij, waarmee je pops ragebolhaar in krulletjes kon zetten, en een soortement sjampoo was er bij, waarmee je pops krulletjes ook weer kon verragebollen. Nou, geef ons Anne, als je het haar zou vragen, maar liever een levend paard of zo, en sporen aan haar laarzen en een lasso... Hoe hartelijk allemaal, van de Weverberghs, heus, er was ook parfum voor Josefien, en ik kreeg een boek waarvan Julien wist dat ik het ècht graag wou. Alles aandoenlijk lief en zo dat je ogen er warm van werden. Maar Julien zelf, in dat H van hem, heeft niks te vertellen en is in alles afhankelijk van Wimha Zeu. Als ik hem = Julien geld vraag, waarmee ik zelf kotalossen zou kunnen kopen, is hij verplicht, natuurlijk met de dood in zijn ziel, zich zogenaamd achter "zakelijke" argumenten te verschansen: "het geld is er niet uitgekomen" (nee, dank u de koekoek!); "de verkoop stelt teleur" (alsof ik , de auteur, daar iets aan kan doen: hij moet toch voor de verkoop zorgen!); ik heb al een voorschot gehad (zoals te doen gebruikelijk is bij ondertekening van het contract); ik behoor niet tot zijn "fonds". Vooral dat laatste windt mij zo op, dat ik er op mijn kale kop poppekrulletjes van voel krijgen.'

wordt vervolgd





door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een bedroefde emigrant (1)

In april wordt Jeroen Brouwers 70. Benno Barnard over de brieven van Brouwers aan hemzelf toen hij in de Texaanse woestenij vegeteerde als 'een anachoreet op een zuil van zelfbeklag'.

De periode die zich uitstrekte van eind september 1987 tot eind mei 1988 heb ik, nu ik er over een kloof van ruim twintig jaar op terugkijk, met enige overgave aan de verveling en het ongelukkig zijn gewijd; ja, ik overdrijf niet wanneer ik beweer dat ik nooit mismoediger ben geweest dan in die verloren tijd.

Acht maanden lang was ik in Austin, de hoofdstad van Texas, als gastschrijver verbonden aan de universiteit, in het kader van een door het Nederlandse Fonds voor de Letteren bestierd programma. Ik geloof dat het bewuste programma inmiddels is opgeheven, maar ik vraag me nog altijd af wat dat Fonds erbij voor ogen heeft gestaan, want er is bij mijn weten geen enkel boek uit voortgekomen dat zich in Austin of een van de overige participerende universiteitssteden afspeelt. Wel schiet me nu te binnen dat Thomas Rosenboom in hetzelfde academisch jaar in Ann Arbor werd gearresteerd op beschuldiging van handtastelijkheden, door een feministe wier lijk hem nog had kunnen verpletteren.

Waarom voelde ik me zo ongelukkig? Ik was amper de dertig gepasseerd en ik had een beeldschone vrouw. Het lesgeven over Nederlandse literatuur vergde geen buitensporige inspanning van me: ik beschikte over zeeën van tijd om rond te reizen, te lezen, naar de film te gaan, in de kroeg te zitten en te schrijven. Maar ik gedroeg me als een ezel op een bergpad: een licht exotisch geluk wenkte en ik weigerde ook maar een stap in de richting van die top te zetten.

Ik had bovenal een afkeer van dat hele Texas. Het weidse, romantische landschap met paarden en cowboys uit mijn fantasie bleek een stoffige vlakte te zijn. Het was er warm en vochtig. We huurden een bungalow in een golvende laan met veel pompeuze villa's: al onze buren waren welgestelde blanke puriteinen van middelbare leeftijd, Dorische zuilen stutten hun veranda, in hun gemanicuurde tuin drentelde 's nachts een protestantse waakhond rond. Nooit zijn we in die acht maanden door een van onze buren zelfs maar aangesproken, laat staan op de koffie genodigd.

De binnenstad bestond uit vijfentwintig genummerde straten vol kantoorgebouwen. Een kleine wijk daarbinnen werd geroemd om zijn muziekcafés, maar de aldaar aan het lichtnet ontlokte klanken maakten iedere conversatie onmogelijk.

Op de campus wandelden erg veel blonde meisjes rond, netjes opgespoten voor ze hun poppenhuis hadden verlaten, voorzien van een strik op de plaats waar zich het litteken van hun lobotomie bevond. Soms zat ik in een café nabij de universiteit - Les Amis, zonder ironie door de volksmond 'Lazy Me' genoemd - Antwerpen en meer in het algemeen Europa te missen. Ik probeerde met deze of gene een praatje aan te knopen. Gewoonlijk moest ik uitleggen dat België niet in Roemenië lag. Ik slaagde er niet in vrienden te maken, wat merkwaardig mocht heten, want zeker in die tijd was ik een sociaal man. Mijn vrouw zat aan haar proefschrift te werken en had nauwelijks tijd voor me.

Ik zonk weg in een soort lethargie.

Ik citeerde Gertrude Stein over Texas: 'There is no there there.'

Ik wachtte op de recensies van mijn prozadebuut 'Uitgesteld paradijs', dat in Privé-Domein was verschenen en waar ik zo trots op was.

Schrijven deed ik niet.

Dat laatste is niet helemaal waar. Ik schreef wel, maar mijn schrijven was corresponderen, op vellen luchtpostpapier. Midden in die woestijn van vrije tijd zat ik als een anachoreet op mijn zuil van zelfbeklag en gooide vliegtuigjes de lucht in. Ik heb in dat korte jaar zeker driehonderd brieven geschreven en er evenveel ontvangen. Als de elektronische post toen al had bestaan, zouden dat er duizend zijn geweest.

De principale correspondenten waren mijn vader en Jeroen Brouwers, beiden geduchte briefschrijvers en van alle mensen in mijn huidige leven de enigen die nog steeds pen en papier hanteren en aan een postzegel likken.

Mijn eigen brieven aan Willem Barnard heb ik later bewerkt tot een hoofdstuk in 'Het gat in de wereld' (Atlas, 1993; later opgenomen in 'Eeuwrest', ibidem, 2001). Dat hoofdstuk heet 'Alias beste vader' en telt vijfendertig pagina's. De brieven van de patriarch bewaar ik in een kartonnen doos: dat is archeologie voor later, vaatwerk, potscherven, pijlpunten...

Met mijn brieven aan Jeroen heb ik tot op vandaag nooit iets gedaan. Ze hangen in een hangmap in zijn archief te slapen. Omgekeerd heb ik zijn brieven een paar jaar geleden aan het Letterenhuis te Antwerpen geschonken, zonder dat het in me opkwam hem om toestemming te vragen. Toen de afzender dat ontdekte, was hij niet verheugd, om niet te zeggen dat hij me voor het eerst in onze inmiddels bijna zilveren vriendschap een kwaaie brief stuurde. Die brieven waren cadeautjes, niet bestemd voor publicatie, hoe haalde ik het in mijn hoofd, enzovoorts. Die diatribe deed me pijn, moet ik bekennen - ik had die brieven afgestaan omdat ik meende dat niemand er iets aan had als ik ze bij mij thuis bewaarde.

Misschien had ik ze vooral aan dat museum weggegeven omdat ze uit een verdwenen beschaving stamden. Met een hand van vlees op papier geschreven brieven! In een Nederlands dat geen honderd mensen meer beheersen, nu elke tweede journalist in Vlaanderen dingen schrijft als 'voor zij die haar geweld aandoen'. Nu de dativus en de accusativus fossielen zijn die binnenkort alleen nog worden aangetroffen bij opgravingen van bibliotheken uit de Beschaving van Gutenberg. Nu de hele cultuur die mij zo dierbaar is over honderd jaar zal zijn veranderd in een spijkerschrift op kleitabletten, dat enkel nog door specialisten ontcijferd kan worden.

Nu Jeroens zeventigste verjaardag nadert, wilde ik iets over zijn brieven aan die bedroefde emigrant schrijven. Ik verzocht het Letterenhuis om kopieën en mocht die prompt ontvangen.

wordt vervolgd







door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (17)

'Als u religie onzin vindt, zou u zich moeten afvragen of literatuur niet om dezelfde reden onzin is.' Benno Barnards worsteling met het 'bespottelijke' woord zingeving.

Maandag (de grote spiegel van mijn besneeuwde grasveld is weg)
In de antropologie wijst men twee momenten aan als beginpunt van de menselijke - nee, humane - geschiedenis: het moment waarop men zijn eten begon te delen met de zwakkeren en het moment waarop men zijn doden begon te begraven. Het eerste is evolutionair verklaarbaar, het tweede dient geen enkele evolutionair nut, aangezien dat gebruik in zwang kwam onder nomaden, die de lijken ook achter hun rug hadden kunnen laten opvreten door wilde dieren.

Dinsdag (buiten daalt een zonsopgang genaamde schemering neer)
Komt het verabsoluteren van het darwinisme de mensheid, de menselijkheid wel ten goede? Het neodarwinisme heeft geen verhaal te bieden. Daarom verheft het zichzelf tot verhaal. Lees bijvoorbeeld een nijvere atheïst als Dirk Draulans: dat tamme aapje heeft van zijn baasje Richard Dawkins geleerd de moraal (de ontroering, het doodsbewustzijn, de muziek) als een evolutionair product te beschouwen. Zo overschrijdt hij zonder paspoort de grens tussen het rijk van de Logos en dat van de Mythos: hij sublimeert zijn eigen wetenschap tot 'zingeving'.

Woensdag (gedachten zo grijs als het licht)
Wat is er toch aan de hand met onze beschaving dat je gedwongen bent zo'n bespottelijke woord als 'zingeving' te gebruiken? Een woord voor ouwe tantes bij hun theekransje, wanneer het koekblik met christendom leeg is; een woord voor ondermaatse prozaïsten, wanneer de bodem van de fles met Nietzsche is bereikt ... maar hoeveel mensen in dit taalgebied kunnen zich voorstellen dat ik iets smerigs proef wanneer ik dat 'zingeving' in de mond neem - dat het verbale dus in de sfeer van de zintuiglijkheid doordringt?

Donderdag (als het licht de schaduw van God is, zoals de middeleeuwers meenden, is wintergrijs de atmosferische godenschemering)
De Joods-christelijke mythe is nu juist uniek omdat hij in de geschiedenis wortelt. De oude Grieken konden zich hun goden absoluut niet als historische wezens voorstellen. Het mohammedanisme is een derde variant: dat neemt de geschiedenis van zijn protagonist Mohammed enerzijds letterlijk, maar loochent anderzijds de categorie van het historische met het verbod de mens af te beelden. Van de Dürerbijbel - die op het kind dat ik was de onweerstaanbaarheid van het verhevene en angstaanjagende uitoefende, vooral de blote mens die zo traag geëxecuteerd werd - is een islamitisch equivalent ondenkbaar. Een krant zou bij wijze van experiment eens een vriendelijk portret van Mohammed moeten afdrukken, in plaats van een spotprent: wat zou er dan gebeuren?

Vrijdag (één scheur in het wolkendek: ik stroom onmiddellijk vol hartstocht, plannen, zuidelijkheid)
'Obiter dictum' van Willem Jan Otten: 'Ik verwijt Hugo Claus en degenen na hem dat ze nooit werkelijk hebben willen onderzoeken waarom zoveel schitterende geesten katholiek waren en zijn.' Het is inderdaad vreemd dat juist fictieschrijvers de zin van een verhaal niet begrijpen. Als u religie onzin vindt, zou u zich moeten afvragen of literatuur niet om dezelfde reden onzin is.

Vrijdagavond
Maar op het moment dat je het evangelie van 1968 definitief dichtslaat en inziet dat de kerken zijn leeggestroomd doordat ze conform de tijdgeest de gelijkheid begonnen te vieren in plaats van het mysterie - op dat moment klapt de grote val van het syncretisme open. Onze beschaving is uit een zee van bloed aan land gekropen: zij dwingt ons nu de 1400 jaar van een andere tijdrekening als evenwaardig te beschouwen.

Zaterdag (voor dag en dauw, die in geen velden of wegen te bespeuren zijn)
Toen mijn vader ziek was, heb ik aan mijn Joodse vriend gevraagd voor hem te bidden. Hij vroeg me de volledige naam van mijn vader en de voornaam van zijn moeder, opdat hij het gebed voor de zieken kon bidden. Dat is traditie. Denk ik dat God vervolgens persoonlijk ingrijpt? Ik kan u op dat punt geruststellen. Maar het koor van de miljoenen verdrietigen en wanhopigen is misschien wel het grootste continuüm in de geschiedenis van de mensheid. Bidden lijkt op de liefde verklaren aan je vrouw: wat je zegt weet ze al.

Zaterdagmiddag
Het christendom... waarom fascineert die monsterlijke sekte van het Jodendom me zo? De oude Joden besloten dat je beter een bok met alle zonden kon beladen dan een mens. Het lam Gods nam de rol van die bok op zich (de beeldspraak is allemaal wat in de sfeer van de kinderboerderij) en liet daarmee het atheïsme in de godsdienst binnendringen. Een dode godheid! Dat is toch een paradox waarvan je hals in een kurkentrekker verandert? Vandaar dat een katholiek als Otten, een atheïst als Wim van Rooy en een traditiedoorrookte agnosticus als ikzelf het zo goed kunnen vinden: wij zijn de oecumene van het christendom en het atheïsme...

Zaterdagavond
Ik ben een serpent dat mag rotten in de hel, zo meent een lezer. Deze uiting van mohammedaanse fijnzinnigheid hindert me niet - maar de rest van dat proza! Voor welke rechtbank daag ik hem wegens bedreiging van het Nederlands?

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (16)

'Als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok (...).' Benno Barnard ziet de vogeltjes vliegen.

Maandag (de leden van het vogelkoor op zaad en nootjes getrakteerd - ik moet er niet aan denken dat in april al mijn zangers dood zijn) Lezers, ik groet u! U, mevrouw, die wilde weten wie de mysterieuze zaklampseiner was (Wiel Kusters), en u, meneer, die met de humor van een gentleman hebt gereageerd op mijn berisping over de Tridentijnse mis: ik zwaai met mijn hoed naar uw schimmen.

Dinsdag (vannacht citeerde de uil langdurig uit zijn griezelverhalen) De bleke Masja accordeert met sneeuw en ijs. Zij, onze werkster, die met een muts van astrakan voor de deur staat, is afkomstig uit Moermansk, het noordelijke kerkhof van de Russische onderzeevloot. Ik stel me voor dat die stad 's nachts een fosforescerende gloed uitstraalt doordat alles er nucleair besmet is. Een zieke metropool: ook in het hart van de ijspegels die van de dakgoten hangen, brandt een vreemd licht. Maar in haar verbazingwekkende Frans, dat voornamelijk uit lege negentiende-eeuwse frasen schijnt te bestaan, die ze opvult met woorden als torchon en seau , vertelt Masja nooit iets over haar geboortestad; wel merkte ze vorig jaar een keer op dat ze het klimaat in België merkwaardig vond: één lang, lauw, vochtig tussenseizoen. Maar nu beleeft ze voor het eerst in zes jaar een winter.

Woensdag (veel koolmeesjes: knappe arbeidersmeisjes) (al zijn het mannetjes)
Intussen hindert het me vaag dat Masja, deze ijsprinses van nog niet half mijn leeftijd, mij vousvoyeert. Mijn ijdelheid is in het geding - helaas, haar verwekker moet van mijn leeftijd zijn. Dat vous van haar is als een artefact uit een voorbije beschaving; het effect ervan op mij verraadt dat ik niet alleen een ouwe bok ben, maar ook een slachtoffer van de egalitaire drift, net zoals al die kinderen die nooit van hun ouders geleerd hebben dat je mensen hoort te begroeten wanneer je ze tegenkomt. Ik merk tot mijn ergernis dat ik niet meer op een natuurlijke manier kan omgaan met het respect dat een lager geplaatste mij betuigt. In het schimmenspel geheten De leugen der universele gelijkheid klinkt 'een lager geplaatste' als een scheldwoord, wat curieus is, want ten opzichte van weer anderen ben ikzelf ook een lager geplaatste. Maar ach, volgens de onder mijn soortgenoten dominante ideologie plaatsen wij onszelf - en meer bepaald bovenaan.

Donderdag (als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok: geen beter symbool van de demografische jihad dan die vogel)
Het comité Brugge Mariastad wil een tentoonstelling laten sluiten die met groot enthousiasme het christendom bespot, of althans de band tussen religie en macht. Het comité neemt vooral aanstoot aan een kermiskraam, bedacht door een zekere Peter Puype, waarin bezoekers gipsen Mariabeeldjes met stenen aan gruzelementen mogen gooien. Wat zal de artiest genieten van alle aandacht! Zijn manifestatie van culturele zelfhaat druipt van het puberale verlangen brave ouwe kwezeltjes, gehecht aan hun troostrijke en volstrekt ongevaarlijke Mariaverering, zo bruut mogelijk te schofferen. Het zou heldhaftiger zijn geweest plaasteren posturekes van Mohammed te vervaardigen, beste kunstenaar, en die kapot te laten gooien - ook niet erg fijnzinnig, maar dan beledigde je tenminste een echte vijand, dubbelop zelfs, door eerst de Profeet af te beelden en hem vervolgens te vernietigen. En dan was die tentoonstelling in een oogwenk door de autoriteiten gesloten, zodat je een martelaar van de vrije meningsuiting was geworden... en dat in onontplofte toestand!

Vrijdag (een merel in de sneeuw - de dichtregel 'in jeder Amsel hab' ich dich geliebt' van Yvan Goll wordt betekenisloos als die bijbelzwarte niet zit te tierelieren op het dak)
Ik betrapte onze pup terwijl hij lag te kauwen op de blijkbaar bijzonder smakelijke lederen band van 'La Belgique Illustrée' (Larousse, Paris, Préface d'Émile Verhaeren). Het boek was veranderd in pure materie, afkomstig van een dier dat in 1915 had geleefd.

Nog steeds vrijdag (kraaiengekras)
In Egypte worden Koptische christenen vermoord. Nadia Fadil, Sami Zemni en Herman De Ley, of hoe heet die derde nationale moslimintellectueel ook alweer, zwijgen met de zedigheid van kostschoolmeisjes. Een democratisch verbod het islamitisch territorium af te bakenen met reusachtige bajonetten is natuurlijk een veel groter schandaal.

Zaterdag (vier Heilige Geesten zitten zich vol te vreten)
Ik was negen jaar toen het IJsselmeer dichtvroor en mensen er met de auto op rondreden. Reinier Paping won de Elfstedentocht. In de daaropvolgende zomer vergaapte ik me voor het eerst aan de schoonheid van de vrouwen. Het navolgende is een onvatbare gedachte: als ik dat verre moment (vijfenveertig jaar geleden) op het midden van een tijdsas zet, ligt het begin van die as in 1919, het geboortejaar van mijn moeder: er zijn twintig miljoen mensen op het slagveld van de Spaanse griep gesneuveld, de grafheuvels van tien miljoen soldaten zijn vers gedolven, een Duitse ex-korporaal begint het ei van zijn rancune uit te broeden... Maar mijn oudere vriend J., die dezelfde oefening doet, belandt in 1895: 'Het is de tijd van de Belle Époque, terwijl de wereldoorlogen nog in het verschiet liggen, de K.u.K. nog fest gesattelt is, Proust zijn vakantie in Kreuznach (Duitsland) doorbrengt en al mijmert over zijn vroegere kindervakanties in Illiers en Houlgate, het wilhelminische Duitsland het enige land ter wereld met een sociale zekerheid is, etc.,etc.'

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (15)

Benno Barnard in familie: zoonlief van elf noemt hem een 'ouderwetse bourgeois' terwijl papa herinneringen ophaalt aan de 'buitenbaarmoederlijke zwangerschap' die hem een dochter opleverde.

Maandag (de laatste sneeuwhopen zijn ingezakt tot grillige sculpturen)
Een onverwachte mail van mijn oude vriend W., die verzonken is in zijn biografie van de dichter Pierre Kemp: 'Het is al zo'n lange tijd dat we elkaar niet meer hebben geseind, met de zaklamp, als het donker wordt, van overkant naar overkant, van raam tot raam.' Dit is een beeld van de communicatie tussen kinderen in een verdwenen beschaving, die van meccano, lezen onder de deken en het gezin op zaterdagavond rond de radio geschaard... Maar laat ik niet als een kwijlende grijsaard met die verloren tijd dwepen - het was het decennium van de waterstofbom, de Suez-crisis, de Russische tanks over de poesta denderend... In elk geval seinde ik deze woorden terug naar de jaren vijftig: 'Ik weet toch hoe die dingen gaan, beste W. - de zaklamp flikkert uit je poten, de batterij is op, je moeder zegt dat je moet gaan slapen... van dat alles zijn het huwelijksleven en Pierre Kemp de volwassen vormen.'

Dinsdag (nog minstens drie maanden tot de lente)
Een wonderbaarlijke belevenis vanochtend. De hond was Christophers kamer binnengedrongen, waar de Griekse landschildpad Papadopoulos onder de lamp in zijn terrarium zat te zonnen (wanneer hij opstaat, zet Christopher de zon aan). Hij, Rolf, zelf een schapenhond van zes maanden, kwam met Papadopoulos in zijn bek de trap afdalen, heel behoedzaam en zonder de minste agressie. Vermoedelijk interpreteert hij dat harde beest niet als leven maar als een stuk speelgoed; beneden in de hal zou hij hem uit zijn bek over de stenen vloer hebben geslingerd, als een van zijn ballen. Deze zoölogische observatie leidt tot de gedachte dat honden haast nooit doden, ook de rechtstreekse afstammelingen van de Europese wolf niet. Rolf krijgt eten, zegt u? Maar de kat krijgt ook eten en doodt niettemin broeder Veldmuis en zuster Mus vol koude geestdrift.

Woensdag (aan de overkant van de rivier heeft de winterregen Wallonië uitgewist)
Een nieuwe Kiekeboe in huis. Banale tekeningetjes en dwangmatige woordspelingen die schreeuwen om zout, maar de scenario's zijn even vernuftig als de komedies van Shakespeare. Op de eerste pagina noemt Fanny de nieuwe laarsjes van haar vriendin 'fuck-me-botjes'. De vriendin is prostituee (sic) en zegt: 'Wat ik doe is mijn eigen bewuste keuze! Ik heb geen behoefte aan een tante nonnetje dat me wil betuttelen.' We zijn nog steeds in de openingsscène. En onloochenbaar in Vlaanderen, waar landbouw en veeteelt plaats hebben gemaakt voor de verkavelingsbeschaving. Het Frans wordt Engels; het Nederlands blijft Frans; en de religieuze traditie is een nooit opdrogende bron van gefrustreerde humor. O traag herkauwen! O maagsappen waarin alle intellectuele activiteit oplost... En waarom verkoopt een striptekenaar zijn seksuele obsessies aan kinderen van elf?

Donderdag (verse sneeuw hangt al dagen boven ons hoofd, als een oordeel dat maar niet geveld wordt)
Christopher noemde me tijdens het avondeten 'een ouderwetse bourgeois'. Bravo, zoon! En dat voor een elfjarige!

Vrijdag (enkele vlokken,'rari nantes in gurgite vasto')
Joy en Anna kwamen eergisteren terug uit India, waar onze dochter is geboren als het kind van naamloze paria's, die haar in 2001 hebben afgestaan aan het weeshuis van moeder Theresa. Nu heeft ze dus voor het eerst een sentimentele reis naar dat subcontinent gemaakt. Daar had ze een miljard bruine mensen gezien, alsook het tehuis van de zalige Theresa, dat haar indertijd voor ons gebaard heeft (Joy noemde het een buitenbaarmoederlijke zwangerschap). Anna vertelde me over een droom die ze in India had gedroomd. Ze was in een park en wandelde over een pad. Aan de linkerkant stonden wij, aan de rechterkant haar biologische ouders, van wie ze zich niets herinnert. Ze moest kiezen. Toen werd ze wakker. 'En wie zou je hebben gekozen?' vroeg ik. 'Jullie natuurlijk,' zei ze zonder enig theater. 'Ik ken die mensen niet eens.' Grote tante Nonneke, u hoeft niet speciaal voor mij te bidden, maar dankbaar ben ik u wel.

Nog steeds vrijdag (nieuwjaar... ach, natuurlijk - daarom is er dus geen post)
In Dietsche Warande & Belfort een essay van een neerlandicus, Gaston Onbelangh geheten, die Huub Beurskens verwijt 'risicoloze poëzie' te schrijven. Dit in oppositie met poëzie waarvan je dood kunt gaan, veronderstel ik. Ook verklaart de geleerde niet te begrijpen waarom Beurskens nog steeds gedichten schrijft - hij is namelijk een 'hedonist', volgens de definitie die Michel Onfray van dat woord geeft: een ouderwetse bourgeois, zeg maar. Onfray? Deze Gallische haan kraait dat het westen zijn mesthoop is. Onbelangh lijkt meer op een kikker, een koude, onwelluidende opschepper, die kwaakt dat hij wel ooievaarbillen lust.

Zaterdag (nog in kamerjas voor mijn scherm gezeten)
Het internet legt genadeloos bloot dat sommige lezers niet kunnen schrijven, wat geen verbazing hoeft te wekken - vreemd wordt het pas als ze er blijk van geven niet te kunnen lezen. Al is het op een grimmige manier ook wel vermakelijk om domme lezers te hebben... die glanzende botheid van geest! Zo meende iemand dat ik een reactionair was, ja, dat ik weldra voor de herinvoering van de Tridentijnse mis zou pleiten. Speciaal om hem te plezieren getuigde ik dus langs mijn neus weg van mijn liefde voor de Tridentijnse mis, een zeldzaam geworden vorm van eredienst, die ik tot mijn spijt nog nooit heb mogen bijwonen. En hij beet prompt! Triomfantelijk noteerde mijn ijverige lezer dat hij dat al voorspeld had...

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Zelfportret als J.T. Doornenbal (slot)

Het slot uit Benno Barnard's lichtjes provocerende apologie van het christelijk conservatisme. Zelfs Lucas Catherine krijgt een zalig kerstfeest van hem.

In 'Das weisse Band' kan de hiërarchische samenleving - die trapsgewijze georganiseerde uitvergroting van de natuurlijke verhoudingen - zich alleen maar handhaven met behulp van fysiek geweld. Op dat punt aanbeland is een maatschappij ancien régime geworden. Maar ook een oorlog of een revolutie, gevolg door een nouveau régime , verandert niets aan het feit dat de verschillende westerse samenlevingen tot op de dag van vandaag de structuur van een gegroeide hiërarchie blijven vertonen. Dat kunnen we maar beter toegeven.

Bij iedere poging om het wiel van de geschiedenis in naam van de 'vooruitgang' en de 'maakbare samenleving' een zwiep te geven, belanden we alleen maar in de problemen. Het is veel verstandiger de dingen heel behoedzaam te wijzigen. Voor ons sociale geluk en de wereldvrede moeten we er rekening mee houden dat de mens een duister wezen is, geneigd tot zelfvernietiging. Niet is dommer dan de hiërarchische evenwichten, het moeizame resultaat van trage ontwikkelingen, omver te werpen. Dat porselein breekt altijd.

Het geloof in systemen die zo volmaakt zijn dat je zelf niet meer je best hoeft te doen, is het gevaarlijkste wat er bestaat. Daarom zijn linkse dictaturen meestal ook veel bloediger dan rechtse, waarbij ik het nationaal-socialisme opvat als datgene wat het zegt te zijn: een socialisme. Nare bestuursvormen als de rechtse dictaturen in Zuid-Amerika hebben tienduizenden mensen vermoord, maar Mao's heilsstaat bracht zijn hecatomben met miljoenen tegelijk.

Ik begrijp niet waarom de aanhangers van het egalitaire staatsmodel ter vervanging van het christendom het darwinisme prediken. Is dat om een schijn van wetenschappelijkheid aan hun politieke idealen te verlenen? Maar het darwinisme is een omschrijving van de natuur als een extreem hiërarchische organisatievorm - de voedselketen is een trap waar nogal wat schepsels vanaf donderen. Als er iets rechts en reactionair is, dan wel de natuur.

Tot de verschrikkingen van het darwinisme als ideologie behoort het verbreken van het grootste sociale contract van allemaal: dat tussen de doden, de levenden en de ongeborenen. Het darwinisme betekent het einde van de transcendentie, de betrekkelijkheid van alle levensvormen en bijgevolg het onbelang van de dood - en dus ook van de doden . De dominante westerse cultuur heeft voor het eerst sinds de dageraad van het menselijk bewustzijn de band met de doden verbroken. Alle grote politieke moordsystemen sinds 1917 pretendeerden niet toevallig een wetenschappelijke basis te hebben; en niet per ongeluk waren ze allemaal anti-Joods en anti-christelijk.

Voor de laatste maal keer ik terug naar dominee Doornenbal, of liever gezegd naar zijn biograaf, Bart Jan Spruyt. Deze historicus is lid van een zwartgallige protestantse denominatie, in de godshuizen waarvan ik nog niet als lijk zou willen worden aangetroffen - vooral niet als lijk eigenlijk. Geef mij maar een Tridentijnse mis. Of nog liever een Engels jongenskoor en 'The Book of Common Prayer', formules die al driehonderdvijftig jaar hun deugdelijkheid hebben bewezen. Maar wat ik met Spruyt deel, en met zijn onderwerp, is het besef dat 'transcendentie' onmisbaar is voor denkende nostalgici. Het alternatief is namelijk de menselijke hybris van de wereldverbeteraars, de sociale ingenieurs, de darwinisten en de nog veel ergeren.

Ach, het christendom! Maar ook in afgeschafte toestand lijkt het me voorlopig nog wel te functioneren. Links verplaatst zich op enkele stokpaarden, waarvan de Maakbaarheidsideologie en de Klimaatpaniek de bekendste zijn. Beide hebben een christelijke pedigree: ze vervangen de Stad Gods, respectievelijk de Ruiters van de Apocalyps - want ook de notie van de kapotmaakbaarheid behoort tot de zelfoverschatting van de homo sinister , de linkse mens. Maar wat mij interesseert is de vraag in hoeverre het christelijk geloof niet sowieso onafschafbaar is. Want de westerse beschaving is op het zelfbeschuldigende af doordrongen van noties als vergeving, zachtmoedigheid en vrede, ook op de momenten dat zij niet in overeenstemming daarmee handelt.

En dat conservatisme van Doornenbal? Mijn opvatting luidt dat de kunst en het intellect de oorlog moeten verklaren aan het egalitaire samenlevingsmodel. Accepteer de plaats die u door de geschiedenis is aangewezen, verbeter uw positie indien mogelijk door noeste arbeid en het woekeren met al uw talenten -zo luidt de boodschap van mijn conservatisme. Het Nieuwe Jeruzalem daalt uit de hemel neer (of niet natuurlijk), maar je kunt het nooit zelf bouwen; hooguit is een onvolmaakte benadering van de transcendente matrix mogelijk.

Juju, wat een achterwaarts gerichte ideeën verkondig ik hier! Ik moet er nog bij zeggen, beste lezers, dat u niet per se in eigen persoon christelijk hoeft te zijn, zolang God maar wat verstandige gelovigen over de christelijke aarde uit blijft strooien, als zoutkorrels - een handvol mensen links en rechts, die de traditie doorgeven, de gebruiken, de verhalen, de rituelen, de schaamte over het eigen falen, en die om zo te zeggen namens u geloven . (Of God bestaat, is weer een heel ander onderwerp.)

In het blijde besef dat zelfs Lucas Catherine de geboorte van een Jood zal moeten vieren, wens ik u een zalig Kerstfeest toe.




door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Zelfportret als J.T. Doornenbal (2)

Benno Barnard bestrijdt met verve 'de onzalige Gallische superstitie dat verlicht-zijn niet zou samengaan met (a) christendom en (b) conservatisme'.

Ik geef u twee dominees ter overweging. De eerste, Balthasar Bekker, was afkomstig uit het Friese dorp Metslawier en leefde van 1634 tot 1698, in de Gouden Eeuw van de vooruitstrevende handelsrepubliek der Nederlanden. Deze predikant publiceerde in 1691-93 het boek 'De Betooverde Wereld', een baksteen, nee, een hoeksteen van de Nederlandse Verlichting, een achthonderd pagina's tellend betoog tegen het geloof in hekserij en de macht van de duivel en demonen over de mens, waarin Bekker zich beroept op Descartes. Een gewone dorpsdominee. Descartes. Achthonderd pagina's.

Hij had het als humanist natuurlijk in het Latijn kunnen schrijven, maar hij verkoos het Nederlands om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Want, beste Vlamingen, al die Hollanders hadden van de reformatie leren lezen - weinig culturele omslagen in de wereldgeschiedenis hebben zo sterk bijgedragen tot de emancipatie als het protestantisme. (Ook het communisme zou mensen leren lezen en schrijven, maar dan met de van nul psychologisch inzicht getuigende bedoeling om ze verplicht gelukkig te maken.)

Dankzij twee vertalingen in het Duits heeft 'De Betooverde Wereld' de Verlichting in de Duitse landen diepgaand beïnvloed. De laatste aanklacht wegens hekserij dateert daar van 1775, terwijl het laatste proces in de Nederlandse Republiek al in 1608 had plaatsgevonden. De Aufklärung van Moses Mendelssohn en Frederik de Grote en Immanuel Kant had het een en ander te danken aan die dominee. (U ziet dat de Verlichting niet overal in oppositie met het christelijk geloof is ontstoken.)

Nu een Duitse dominee. Onlangs zag ik 'Das weisse Band', een tamelijk onthutsende, in zwart-wit gedraaide film over een feodaal gebleven Pruisisch dorp in het laatste jaar voor de Grosser Krieg (hoe onthullend trouwens dat niemand de Duitse benaming van die oorlog kent). Het verhaalt gaat over vreemde, sadistische en verschrikkelijke gebeurtenissen, hiërarchische verhoudingen die niet meer functioneren, gewelddadige opvoedingspraktijken - die samen de psychologische achtergrond van het nazisme zouden vormen, dat volgens de makers in de Duitse culturele structuur zat ingebakken. Daar geloof ik niets van, want ook de Engelsen en de Fransen tuigden hun kinderen graag met een lederen broeksriem af, maar de Duitsers wentelen zich nu eenmaal al vele decennia in het stof.

In 'Das weisse Band' speelt de dominee een belangrijke rol. Het is een dominee zoals ex-protestanten hem het liefste hebben, omdat ze in het kader van hun therapie sidderen van zondig genot als iemand anders van de onverwerkte godsdienst uit hun kindertijd iets onloochenbaar bespottelijks maakt. Een man met een scherp gezicht, getypecast op gevoelloosheid. Hij wordt met 'Herr Vater' aangesproken, waardoor hij semantisch al dicht bij God staat ('dominee' is trouwens de vocatief van het Latijn voor 'Heer' of 'heer'). Onder biddend opzien geeft hij zijn gebroed regelmatig een pak slaag. Ik ben er dan ook zeker van dat de scenarioschrijver door liefdeloze protestanten is opgevoed. Het hadden ook liefdeloze atheïsten kunnen zijn, maar het atheïsme is zo'n onaantrekkelijk verhaal omdat het helemaal geen verhaal is, zodat weinig mensen zich ertegen kunnen afzetten.

Een symbolische bruut van een dominee. De dominee als ondersoort van het genus der rotmoffen. Dat is althans de bedoeling. Maar ook daar geloof ik niets van. De man in de film is veel sympathieker dan hij wordt geportretteerd. Zijn twee oudste kinderen zijn rotzakken, tot wier gevoelens hij niet vermag door te dringen. Zijn mimiek wordt getekend door het verdriet van een vader die zijn nageslacht op een onmachtige manier bemint. Ja, hij is stug en onhandig. Al in zijn verzonken kindertijd gold deze onwrikbare regel: wie zijn kinderen liefheeft tuchtigt hen. In de pastorie - en in alle huizen van fatsoenlijke Pruisische burgers - verspert Deugd als een schildwacht de toegang tot de vertrekken van zijn zuster Intimiteit. Maar de arme dominee is ook het product van de Pruisische Verlichting: die staat achter hem in zijn boekenkast, zoals uit menig shot blijkt, en dat is een schildwacht die het Verstand bewaakt.

Terug naar Jacobus Teunis Doornenbal. Speciaal voor de mens die met een koevoet maat 68 uit het grote historische continuüm is losgewrikt, bestrijd ik de onzalige Gallische superstitie dat verlicht-zijn niet zou samengaan met (a) christendom en (b) conservatisme. Daarom ben ik zo blij dat ik Doornenbal heb ontmoet, een christelijk conservatief die uitgesproken verlicht is... Maar wat houdt dat christelijke conservatisme van Doornenbal en zijn biograaf nu in? En hoe verwant moet ik mij daarmee voelen?

'Naar mijn overtuiging,' schrijft Spruyt, 'belichaamt Doornenbal een traditie die "relevanter" is dan ooit. We hebben namelijk meer dan ooit behoefte aan intelligente nostalgie, aan een vorm van conservatisme die ons aanspoort en helpt om het goede - neergeslagen in ideeën, tradities en instituties - lief te hebben...' Daar ben ik het van harte mee eens, mede omdat Spruyt het conservatisme tot mijn blijde verrassing nog veel uitgebreider definieert met behulp van citaten uit mijn werk.

Wordt vervolgd

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Zelfportret als J.T. Doornenbal (1)

'De christianofobie onder weldenkenden is een door het centrum van Jozef De Witte sterk onderschat verschijnsel', aldus Benno Barnard. Daarom: klein feuilleton over het christelijk conservatisme.

Sinds ik het in 1976 voorgoed achter me heb gelaten, is mijn geboorteland zonder verder causaal verband behoorlijk onleefbaar geworden, en ik doe het graag aan Geert van Istendael cadeau, die erin liefhebbert zoals ik in België. Maar terwijl het in de tijd steeds verder van me vandaan glijdt, blijf ik het merkwaardig vinden dat zoveel ontwikkelde Vlamingen met een diepe antropologische verbazing naar de traditionele protestantse cultuur in Nederland staren, als naar een pruimenbrandewijn zwelgende stam van lichtgeraakte messentrekkers in de Balkan.

Een enkele lezende Vlaming heeft een nogal karikaturaal beeld aan Maarten 't Hart of Jan Wolkers ontleend, maar hun romans beschrijven marginale vormen van fundamentalistisch protestantisme, dat verder geen kwaad kan maar ook niet erg interessant is.

Wie werkelijk iets wil doorgronden van de schoonheden en beperkingen van de beschavingsvorm waaruit ik ben gekweekt, moet een ander, wonderlijk boek lezen, te weten 'Als je eenmaal hebt liefgehad, Over ds. J.T. Doornenbal, geloof, cultuur en politiek' van Bart Jan Spruyt (Boekencentrum, 2009). De schrijver (geboren in 1964) is historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van het christelijk verzet tegen Hitler, columnist van Elsevier en voorzitter van de conservatieve Edmund Burke Stichting. Ik vermeld zijn geboortejaar niet zomaar: er bestaan ook conservatieve denkers onder de tachtig.

Verbeeld ik me dat of hoor ik daar al het gekef van de vooroordelen, die het woord conservatisme volgen als poedels hun oudere dame? Er zijn zelfs twee oudere dames, die samen een wandelingetje maken, want het betreft hier een studie over christelijk conservatisme. Dat moet wel over iets dubbel vreselijks gaan! Bij die voorspelbare reactie teken ik aan dat de christianofobie onder weldenkenden een door het centrum van Jozef De Witte sterk onderschat verschijnsel is.

Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975) geldt voor Spruyt - zelf een christelijk conservatief, maar die overtuiging tast zijn zin voor de historische wetenschap geenszins aan - als een exemplarische figuur: geboren voor de Eerste Wereldoorlog, gestorven na mei '68. Daarmee behoort hij tot de laatste brede lichting van tolerante, cultuurdragende, door een mengeling van reformatie en humanisme gevormde dominees, een continuüm dat dankzij de secularisatie heeft opgehouden gecontinueerd te worden. Niet dat dominees als J.T. Doornenbal niet meer bestaan, maar hun plaats is naar de periferie verschoven.

Vier eeuwen lang vormden deze dominees de ruggengraat van het mystieke lichaam geheten het Nederlandse volk. Er zijn families die ononderbroken van vader op zoon dominees hebben voortgebracht, vierhonderd jaar lang, generatie na generatie. Aan domineeszaad ontsproten kinderen, zeker de exemplaren die op het platteland zijn opgegroeid, in het magische claustrum van een oeroude dorpspastorie met een grote tuin en een boomgaard, herkennen elkaar aan hun taalgebruik en hun humor, maar vooral aan hun heimwee.

De dominee! Exoot in dit Vlaanderen, steen uit de ruimte, artefact in een vitrine met voorwerpen uit de Beschaving van Calvijn, 1509-1968...

Allereerst dient de lezer te weten dat Doornenbal, zoals menige dominee, wekelijks stukjes schreef in een regionaal kerkblad. Daar moet men niet te gering over denken. Veel Nederlandse literatuur is protestants, ook als zij anti-protestants is. Maar hoeveel Vlaamse studenten in de letteren verkwisten hun tijd niet aan contemporain gezeur, zonder Gerrit Achterberg - 'godsdienst hangt zwaar tegen de hanebalken' - te kennen? In 1953 las Doornenbal de poëzie van Achterberg in het licht van de verhouding tussen het 'aesthetische en ethische' bij Kierkegaard, welke categorieën hij vergeleek met 'de strijd tussen Es en 't Ik'. Die stukjes schrijvende dominees, die figuurtjes in het achterdoek van de eigenlijke literatuur, die waren niet zo dom.

Maar terzake. Ik wil hier het conservatisme van Spruyt en Doornenbal uitleggen, en mijn eigen houding ertegenover. Doornenbal maakte de 'invasie van de moderniteit' mee en gaf zich daar voor het eerst rekenschap van toen een dienstmeisje 'aarzelend met de traditie brak door haar nieuwe kanten muts niet te vervangen door een rouwmuts toen een oudtante was gestorven die zij, nota bene, nooit had gezien'. Weldra zou iedereen 'dezelfde soort smakeloze kleding' dragen. Een nivellering naar beneden toe beroofde de Nederlanders van hun schoonheid, hun traditie, hun spiritualiteit en hun verstand.

Die Jacobus Teunis!

Maar ik herken zijn weemoed, dat besef dat een tijdperk ten einde loopt. Alles evolueert permanent, dat is al zo sinds de eerste pijlpunt. Maar de voorbije veertig jaar zijn de veranderingen zo radicaal! Ze grijpen in zo'n krankzinnig tempo plaats! Warempel, wat moet een Doornenbalachtige als ik nog in de tijd, nu de digitale technologie het geheugen van een nieuwe generatie door een collectief superbrein vervangen heeft?

Wordt vervolgd

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Gedachten bij een Mummie

Benno Barnards mijmeringen over het bezoek met zijn zoon aan de Egyptische kamer in het British Museum.

Mummy

In his dream, anxiety sends him
to ask just how I plan to solve
the problem at the British Museum.
He finds me ironing but cannot remember what.
I can guess. We'd be in the Egyptian Room,
the bandages spilling out across the floor,
their creases tighter and each coil
steadily more soiled. There is a mist
of steam and hot silver,
light that unspools its greenish net
and there, my arm's compulsive certain strike,
back forth back forth back.
In my homespun way
I am unravelling something foreign to me.
Smoothing out the layers
down to the heart of it, a kernel of jewels,
curses, secrets, love, death, theft.

Maura Dooley
Uit: 'Life Under Water' (Bloodaxe Books Ltd, 2008)

Mummie

In zijn droom stuurt benauwenis hem
met de vraag hoe ik van plan ben
het probleem in het British Museum op te lossen.
Hij treft me strijkend maar herinnert zich niet wat.
Ik kan het raden. We waren vast in de Egyptische Zaal,
waar de windsels over de vloer stroomden,
hun vouwen steeds strakker en elke winding
almaar vuiler. Er hangt een mist
van stoom en heet zilver,
licht dat zijn groenige net van de spoel windt
en daar maakt mijn arm het beproefde dwangmatige gebaar,
heen weer heen weer heen.
Op mijn alledaagse wijze
ben ik iets aan het ontrafelen dat mij vreemd is.
De lagen aan het gladstrijken
tot in het hart ervan, een kern van juwelen,
vervloekingen, geheimen, liefde, dood, diefstal.

Vertaling B.B.


In het jaar 1753 stemde het Britse Parlement een wet die bepaalde dat er in de hoofdstad een nationaal museum moest worden gesticht - een 'British Museum', zoals het zou gaan heten - om de uit hun voegen barstende en mede daarom maar aan de regering geschonken verzamelingen van Sir Hans Sloane, de familie Cotton en de graven van Oxford in onder te brengen. De verzameldrift van veel edellieden is een van hun beminnelijkste eigenaardigheden, en omdat ze daarnaast zo verzot zijn op jagen, zou je kunnen stellen dat de adel de ware voortzetting vormt van de jagers-verzamelaars uit de prehistorie.

De architect Robert Smirke ontwierp in 1823 een gebouw met een groot aantal Ionische zuilen, wat niet alleen in overeenstemming was met de heersende neoklassieke stijl, maar ook uitdrukte dat een beetje imperium een klassieke allure tentoonspreidde. Om het bouwwerk te bekostigen, schreef de regering een loterij uit, want gokken is de Engelse manier om te zeggen dat het leven vol grillig toeval zit en niet maakbaar is - ja, gokken is een uitgesproken conservatieve bezigheid.

Een onzichtbare maar fascinerende paradox van de structuur in Great Russell Street is het gebruik van beton, een materiaal waarvan ik spontaan geneigd ben te denken dat het pas door mensen als Adolf Loos en zijn epigonen voor het eerst gebruikt werd, in hun mensvijandige gebouwen daterend van het interbellum en alle decennia sedertdien. Het ornament moest immers verdwijnen van deze totalitaire bouwmeesters. 'Architectuur is enkel kunst in het geval van het grafmonument en het teken,' aldus sprak Loos.

Als een scalpel van de moderniteit gebruikte deze Adolf zijn ideologie van het 'misdadige ornament' om het overtollige vlees van een cultuur in ontbinding weg te snijden. Dat was in het Wenen van de Habsburgers. Aan de hand van Adolf Loos kun je hele ontmenselijking van de twintigste eeuw visueel demonstreren. Het lijkt me geen toeval dat de architectuur de gulden snede - gebaseerd op de verhoudingen van het menselijk lichaam - negeerde in hetzelfde tijdperk van de geschiedenis dat op industriële schaal lijken produceerde.

Smirke was een van de vroegste betongebruikers, ondanks zijn liefde voor kapitelen en voluten, en zijn gebouwen hebben de repuatie onverwoestbaar te zijn. Het verschil met Loos zit in de onzichtbaarheid van dat beton. Maar ik dwaal af, ook al dwaal ik altijd af in de richting van mijn onderwerp. Ik wilde vertellen over het bezoek, samen met mijn kinderen, aan de creatie van de vooruitstrevende Smirke. Dat bezoek was vooral een bezoek aan de mensvormigen in hun beschilderde sarcofagen.

Mijn zoon had een boek over mummies gelezen en legde mijn dochter uit wat die in linnen gewikkelde vormen waren, dode mensen namelijk, meestal koningen. Ze snapte niet waarom dode mensen 'mama's' werden genoemd. Ik legde uit dat de Egyptenaren de hersenen met een gebogen haakje door de neus verwijderden. Opeens begreep ik absoluut niet meer - en dit bracht me van mijn apropos - waar onze civilisatie het recht vandaan haalde om doden uit een zoveel oudere cultuur tentoon te stellen.

The Egyptian Room . Linnen windsels die in 4000 jaar niet meer gewassen waren. Hoe wonderbaarlijk was de gedroomde en daarna gedichte gedachte dat je door ze te strijken, tot al hun plooien en vouwen weer glad waren, ten slotte kon doordringen in het geheim van een hoog leven, tot zijn cultuur van juwelen en vervloekingen, tot zijn liefde en zijn dood... en een paar millennia later volgde dan de diefstal door vertegenwoordigers van een machtiger cultuur, de schaamteloze diefstal van iets onsteelbaars.

Maar in een volgende vitrine stond een mand, uit riet en klei vervaardigd door mensenhanden in een ondenkbaar vijfde millennium voor Christus. Ik probeerde me zon-gelooide vingers voor te stellen, nat van het Nijlwater, bezig met hun artefact; maar die mijmering werd onderbroken door mijn zoon, die een vraag stelde van de soort die je als vertederde ouder aan de orale traditie van je eigen dynastie toevoegt: 'Misschien was dat wel het mandje van Mozes.'









door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (14)

'Laat ze toch de kolere krijgen, die "priesters van de poëziereligie" met hun geborneerde recensies en hun tot kokhalzen nodende gemier met literaire prijzen', aldus Jeroen Brouwers.

Maandag (maagpijn)
Hoe verfrissend om victacausa.blogspot.com te bestuderen! In die miserabele taaldrab van vrijwel alle websites, in dat onafzienbare walmende moeras van stervende grammaticaresten... daar trekt de wonderlijke Marc Vanfraechem respondenten aan die zowaar Nederlands kennen! Kunnen , volgens onze nieuwe minister van onderwijs (soms vrees ik dat ik niet alleen liefheb).

Dinsdag (hoofdpijn)
Ik meende lange jaren dat de uitdrukking 'Wat Walsch is, valsch is' door Jacob van Maerlant was bedacht of tenminste vereeuwigd; voorts verkeerde ik in de veronderstelling dat de betekenis als volgt luidde: Franstaligen deugen niet. Maar door toeval ontdek ik nu dat ik me twee keer heb vergist - dubbele vreugde dan, want zoals de engelen in gejuich uitbarsten als een zondaar zich bekeert, zo troont er in mijn cerebrum een klein koor dat jubelt bij de voortschrijdende sublimatie van mijn onwetendheid. Weliswaar gebruikte Van Maerlant walsch en valsch sporadisch als rijmwoorden, maar daarmee - zo lees ik bij de taalkundige Arend Smilde - bedoelde hij niet dat het Diets van zijn tijd superieur was aan het Frans. Wel vond hij dat Franstalige teksten weinig wetenschappelijk waren, vals dus. Hij, de vader van ons verwerpelijke ras, de Dietse dichters, beriep zich liever op Latijnse bronnen. In het Frans tierelierden ze over aantrekkelijke jonkvrouwen; maar hij, Van Maerlant, schreef wetenschappelijk gefundeerde leerdichten, en ruim twee eeuwen voor de humanisten stiet hij al de nobele strijdkreet ad fontes ! uit. (Overigens gebruikt Gezelle dat 'Wat Walsch is, valsch is' in zijn apocriefe betekenis.)

Woensdag (keelpijn)
Jeroen Brouwers is geen minnaar van poëzie voor uitverkorenen, specialisten, kenners, fijnpoevers, oenologen, eunuchen. Dit schrijft hij in een brief aan mijn vader, de dichter Guillaume van der Graft: 'Mijn beduchtheid voor uw dichterschap bleek prematuur. Uw verzen verontrustten mij niet door hermetisch cryptogramgedaas, verkleuterden mij niet door lolletjes, rijmpjes, floddertjes, ideetjes van 1 cent, en joegen mij niet op de kast door dominante kanselpraat. Uw bevattelijke poëzie spreekt mij aan door haar openheid, waaruit behalve hoge ernst liefde blijkt, ik bedoel het soort liefde die betrokkenheid heet: toegewijde aandacht voor alles tussen dageraad en godenschemering, aarde en heelal, het leven en al het andere. (...) En ook: laat ze toch de kolere krijgen, die "priesters van de poëziereligie" met hun geborneerde recensies en hun tot kokhalzen nodende gemier met literaire prijzen. Het is niet waar dat u "niet bestaat voor de letterkundige incrowd", zoals u in uw dagboek meent. Ben ik soms niet incrowd? Ik ken u en weet van uw bestaan in alles wat u bent.'

Donderdag (koorts en ruggengraatjeuk)
Het gedicht 'Overzees' van Koenraad Goudeseune heeft een toon waar ik van houd, iets tussen Herman de Coninck en volslagen autisme in. Het bevat een levensregel voor de zwarte romanticus die stikt in zijn stropdas: 'Je hebt een asbak nodig waarin je deze provinciestad kan gooien.'

Vrijdag (syfilis?)
In The Guardian lees ik dat er een Engelstalige film over Mohammed zal worden gemaakt, waarin de profeet als held wordt opgevoerd. Ons verlangen naar universalisme en de gelijkheid van alle mensen heeft ook het tegenovergestelde gewekt, de begeerte op onze knieën te vallen voor een halfgod, een Mohammed, een Hitler, iemand die uitstijgt boven het democratische niveau, dat van ons verlangt iedereen als evenwaardig te beschouwen... Barrie Osborne, bekend van 'The Lord of the Rings', heeft een budget van honderd miljoen euro tot zijn beschikking gekregen van een prins die in Suske en Wiske Ali Ben-Zine zou heten. De hoofdrolspeler van de film zal niet te zien zijn: deze held mag namelijk niet worden afgebeeld, zoals te lezen staat in het Handboek voor Uitgedroogde Culturen. Osborne hoopt met zijn film 'de ware betekenis van de islam' te tonen. In een eerdere film is een oom van de boodschapper wel te zien - de bewuste acteur werd prompt vermoord. Ha, de ware betekenis van de islam!

Zaterdag (Belgische griep?)
Mijn vriend Martien heeft Theo van Gogh herdacht door op de plek waar de filmer stierf een grijze kiezelsteen neer te leggen, die hij ooit van zijn dochtertje als 'een bijzondere steen' had gekregen, met daarop in rode plakletters (nog eens extra afgedekt met transparant plakband): THEO. Er stonden een paar dranghekken in carré op de stoep, waarbinnen vooral bloementuilen lagen, maar de gebeurtenis viel niet te verbloemen. 'Ik heb een korte wijle daar... eh...verwijld,' schreef Martien me. 'Dan heb ik daar dus ook gestaan,' schreef ik hem terug, 'samen met jou, in de wetenschap wat het duurste artikel in de feestartikelenwinkel van de democratie is: moed.'

Zondag (Vlaamse griep?)
Ik weet niet of het kies is uit andermans Facebook te citeren, maar dat hele Facebook lijkt me een jeugdhonk voor dertienjarige zielen. Op de pagina van de AEL las ik dit over Theo van Gogh: 'Goed kan ik de aandacht voor zo'n stuk schorremorie nooit vinden.' Dat schorremorrie sloeg dus niet op Mohammed B. Overigens betekenen die ontelbare Mohammeds dat de Profeet zich als het ware gekloond heeft, op een manier die je in stripverhalen aantreft, met miljoenen robots die allemaal het uiterlijk van hun diabolische maker hebben en mechanisch 'Ja, meester' herhalen. Ha, de islam!

Benno Barnard



door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 
Tweewekelijks schrijft Benno Barnard over de wereld die hem dierbaar is, in de wetenschap dat het lijk van de moderniteit ons dreigt te verpletteren. Daarnaast presenteert Barnard in 'Mijn Gedichtenschrift' een Nederlandstalig of buitenlands gedicht, waar hij een subjectieve beschouwing aan toevoegt.