Marcel Proust van Vlaanderen

Vorige week een lolletje uitgehaald met onze chef-Wetstraat. Die had ons opgedragen een artikel te schrijven, stel u voor, en dat waren wij als volgt begonnen:

'Soms lijkt in mijn halfslaap de echo van mijn ademhaling in de kamer om me heen voorbije akoestieken op te wekken. Vertrekken die in de coulissen van de vergetelheid wand tegen wand opgestapeld stonden omsluiten me weer. Dakpannen ritsen zich op spanten tot een huid van stenen schubben aan elkaar. Bakstenen vallen in oude verbanden samen. Onder mijn zolen hervinden vloeren hun vastigheid, elke hol weerkaatste stap laat gangen en passages hun gewelven en nissen herkennen. Verwonderd, welhaast perplex, treed ik die wendbare krochten binnen, als verdwaald in een grot vol schilderingen die onder bibberend kaarslicht tot leven komen.'

Verder moet onze chef-Wetstraat niet geraakt zijn, want na minder dan een minuut kwam hij woedend zijn bureau uit gestormd. 'Hebt gij een paar toeren te lang op de molen gezeten? Wat is dit voor onzin? Wie krijgt zoiets uit zijn pen? Dat durft zelfs Hugo Camps niet te schrijven.'

'Rik, luister eens hier. Terwijl ik het papier met de zwalkende gang van een dronkaard bevlek, mijn extase van inkt, laat ik de dingen achter in hun naakte zijn. Ik haal de beate mongoloïde glimlach van de wereld naar boven, de grijnzende, nat glanzende zen der stomme objecten, waar ik de namen als kaf van af blaas. Nooit zal ik al wat er is even tomeloos kunnen laten zwijgen in het woord, de grote nacht is beter dan tienduizenden maanden.'

Die zat, dat mogen we rustig zeggen. Rik Van Cauwelaert stond ons onthutst aan te staren, een mengeling van boosheid en ontluikende onrust op zijn gelaat:
'Zwalkende gang van een dronkaard, zeg dat wel. Het is verdomme tien uur in de voormiddag. Als ge te lang uit gaat 's avonds, wat ik u op uw jaren zou afraden, blijf dan de volgende morgen thuis. Of ge nu hier zit of niet, dat maakt geen enkel verschil. Tenzij voor de anderen.'

'Ik zoek in de cadans van mijn handschrift de letters in gestolde kwezelachtige wellust die naar uitbraak verlangt. De lust van de flagellant en de libertijn is even onstilbaar.'

'Wat!?'

'Zweepslag en liefdesbeet kwetsen of zalven in gelijke mate, Rik. En niemand kan zich ooit onttrekken aan de almachtige god van de grammatica.'

Rik Van Cauwelaert was met stomheid geslagen. Had Marc Reynebeau en Paul Goossens op zijn redactie gehad, en was dus eerder geconfronteerd met onrustbarend psychotisch gedrag, maar dit deed nauwelijks voor hen onder. Meteen ook floepte uit zijn ruwe bolster zijn blanke pit in haar volle glorie tevoorschijn: 'Moet ik een dokter bellen? Kijk naar mij, hoeveel vingers steek ik op?'

'Vier.'

'Ja, dat is juist. Maar wat scheelt u dan? Ergens tegenaan gelopen? Gevallen op de parkeerplaats?'

'Neenee, Rik. Ik voel alleen dezelfde euforie en verwachting, hetzelfde ernstige plezier waarmee een kind lijnen trekt, de dingen herschept, het millennia aloude ritueel herhaalt van de jager die in de wand van een grot de geest van zijn prooidier oproept. Mij lijkt de wereld dan het hof te maken: schrijf mij uit, verdubbel me. Traceer mijn luchtlagen, mijn bodemlagen, mijn mantels en mijn zieke memorie, en al de gradaties tussen zijn en niet-zijn die alleen een mens, het meest ontaarde dier dat uit mijn slijmen opkroop, tot bestaan kan wekken.'

'Wablief? Maar enfin, wil er iemand de verpleegster roepen. Dat ze alles laat vallen en direct komt. En bel een ambulance.'

'Ambulance staat niet in het woordenboek, Rik. In woordenboeken tref je, als in een herbarium, het verdroogde plezier aan om hun kolommen zich te zien uitstrekken als kruitmagazijnen. Uit hun rekken steel ik de ammunitie voor de hagelschoten die ik loslaat op de wereld.'

'Ja ja, het is goed. De zuster is hier al zie.'

'Ochtendappel voor de definitie. Groet aan de Vlag. Azalea en Azimut.'

Onze chef-Wetstraat hief de armen hulpeloos ten hemel: 'Hoort u het zuster? Zo praat hij de hele tijd. Een hersenschudding denk ik, in het beste geval. Ik vrees eigenlijk dat het erger is.'

'Maar mijnheer Van Cauwelaert toch. Het tumult der betekenis barst onder mijn vingers los. Jarenlang heb ik niet kunnen luisteren naar wat mensen zeiden. Ik liet de branding van geroezemoes over me heen spoelen. Ik keek in het rond. Nam de luchters in me op, de veloeren tochtgordijnen, de knikkende dameshoeden, de choreografie der geplogenheden.'

Bij onze chef-Wetstraat maakte ontzetting plaats voor afgrijzen: 'Zuster alstublieft, u ook? Of scheelt er iets met mij?'

'Dat laatste weet ik niet. U begrijpt toch dat wij aan het citeren zijn? Of leest u geen boeken?'

'Lees ik geen boeken? Zuster, ik lees vijftig boeken per dag. Uit wat citeert u dan? Een mislukte drukproef?'

'Maar mijnheer Van Cauwelaert! Uit Godenslaap natuurlijk, het meesterwerk van Erwin Mortier, winnaar van de AKO-literatuurprijs. Volgens uw eigen blad "een roman zonder weerga, geschreven door de Marcel Proust van Vlaanderen."'

'De Marcel Proust van Vlaanderen? Wie heeft dat beweerd? Ik zal eens direct een voorwoordje maken tegen die Marcel Proust van Vlaanderen zie. Tegen al die jandoedels trouwens. Ik eis de onmiddellijke afschaffing van alle literaire subsidies. Wie wil leven van zijn pen, moet maar zien dat hij boeken verkoopt. Heeft T.S. Eliot ooit subsidie gekregen? Of Edgar Allan Poe? Het is niet omdat ge een container met vergezochte en groteske metaforen uitkiept dat die kromtaal literatuur wordt. De winnaar van de AKO-prijs? Wat moet de rest dan niet geweest zijn?'

Gemakkelijk op zijn paard te krijgen, onze chef-Wetstraat. Komt ervan als je vroeger liever naar de hippodroom ging dan naar de school.

Koen Meulenaere

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

ongepaste reactie?