Insider

Jury Ida Gerhardtprijs devalueert eigen prijs

Een jury moet de criteria op grond waarvan het een literaire prijs toekent serieus nemen. Anders devalueert de jury de waarde van de prijs. Dat blijkt uit de ruzie rond de Ida Gerhardtpoëzieprijs.

Elke publiciteit is goede publiciteit. Laten we daarom aannemen dat Alfred Schaffer blij is met de openlijke ruzie die deze week is uitgebroken tussen de juryleden van de Ida Gerhardt Poëzieprijs die de dichter kreeg voor zijn bundel 'Kooi'. De Nederlandse oud-politicus Frits Bolkestein stapte uit de jury omdat hij het niet eens was met de keuze van de twee andere juryleden: hoogleraar Thomas Vaessens en dichteres Ester Naomi Perquin. Meer mensen zullen nu nieuwsgierig zijn geworden naar 'Kooi' dan wanneer Bolkestein had gezwegen. Verdient zijn bundel de prijs of niet?

Zoals gebruikelijk kun je uit de vele stukken in de media nauwelijks wijs worden uit de gang van zaken. Heeft Bolkestein inderdaad toegezegd het stilzwijgen te bewaren? Klopt het dat Vaessens heeft aangeboden de jury te verlaten maar dat hij is blijven zitten omdat zijn standpunt nu eenmaal dichterbij dat van Perquin lag? In plaats van over de kern van de zaak te discussiëren beschuldigen de betrokkenen elkaar van onethisch handelen. Zo zou Bolkestein nooit hebben mogen zeggen wie de prijs volgens hem wél had moeten krijgen: Hester Knibbe.

De kern van de zaak is het criterium op grond waarvan Schaffer de prijs had moeten krijgen. De tweejaarlijkse Ida Gerhardt Poëzieprijs is bedoeld voor een bundel 'in de geest van het werk van Ida Gerhardt, waarbij inhoud en vorm met elkaar in balans zijn'.

Deze ruzie had voorkomen kunnen worden als alle betrokkenen dit criterium serieus hadden genomen - ongeacht hoe je het criterium interpreteert. Kennelijk is de jury vol goede moed aan de slag gegaan en bleek pas later dat zij anders dachten over dichten in de geest van Gerhardt. Bolkestein vindt Gerhardts werk vormvast, Schaffers poëzie, mede door twaalf prozagedichten, niet. Ook meent hij dat Gerhardt terughoudend was voor haar privé-leven, Schaffer niet. Bolkestein weigerde zich neer te leggen bij de onbekende tegenargumenten van zijn medejuryleden. Omdat zij in de meerderheid waren, trok hij aan het kortste eind.

Ook toen Bolkestein uit de jury was gestapt, hadden Vaessens en Perquin de rebellerende liberaal vóór kunnen zijn als ze bij de bekendmaking duidelijk hadden gemaakt hoe 'Kooi' past in de geest van Gerhardt. Dat deden ze niet. In het juryrapport schrijven ze over 'overrompelende directheid', 'verpletterende schoonheid' en 'gave verzen' en noemen ze 'twijfel aan mogelijkheid van contact' de 'ontroerende rode draad'. Maar wat daar des Gerhardts aan is? Geen idee. Zelfs over de balans tussen vorm en inhoud, de enige concrete toelichting van de geest van Gerhardt, valt geen woord.

Wat heeft het dan voor zin om criteria voor een literaire prijs op te stellen als de jury er alleen over praat als er problemen ontstaan en ook geen verantwoording aflegt? Zo ontstaat het beeld dat de Ida Gerhardt Prijs de zoveelste poëzieprijs is voor ongedefinieerd 'goed' werk. Zo draagt de jury ongewild bij tot de devaluatie van de Ida Gerhardt Poëzieprijs, omdat alleen het aan de prijs verbonden geldbedrag onderscheidend is - 2.500 euro tegen bijvoorbeeld 5.000 euro voor de Jan Campertprijs, die Schaffer eerder dit jaar in ontvangst mocht nemen voor 'Kooi'.

De mist die de jury heeft opgeworpen is een mist waarin helaas wel meer literaire prijzen zich hullen. Er zijn zo veel prijzen waarvan niemand weet waarom ze worden uitgereikt dat het publiek er niet op reageert. Met uitzondering van de grote prijzen als de AKO, Libris en Gouden Uil voor proza en de VSB voor poëzie hebben ze geen wervende kracht meer en lijken ze eigenlijk allen nog van waarde te zijn voor de bestuurders, juryleden en winnaars zelf. Tenzij er natuurlijk ruzie ontstaat en de pers meer doet dan plichtmatig berichten wie de laureaat is.

Daar hebben de Ida Gerhardtprijs-juryleden dan wel voor gezorgd. Alfred Schaffer zal hen dankbaar zijn.

Maarten Dessing


door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Vlaamse boekenbonzen blijven onbekend in Nederland

Vlaming Koen Clement voert in Nederland de powerlist van het boekenvak aan. Dat is geen doorbraak, vindt Maarten Dessing.

U kent het gezegde: Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

Deze week bombardeerde het Nederlandse weekblad HP/De Tijd WPG-directeur Koen Clement in zijn jaarlijkse Literaire Pikorde tot de belangrijkste boekenvakker. Dankzij de overname van PCM-uitgeverijen A.W. Bruna en Standaard Uitgeverij kwam hij vanuit het niets binnen op de hoogste plaats in de top veertig.

Nooit stond een Vlaming zo hoog. Sterker: nog nooit stond een Vlaming in de lijst die traditioneel wordt overheersd door uitgevers, redacteuren, critici, literair agenten, programmamakers en enkele verdwaalde boekhandelaren en schrijvers.

Eric Willems (Standaard Uitgeverij)? Harold Polis (Meulenhoff/Manteau)? Matthias Lannoo (Lannoo)? Carlo van Baelen (Vlaams Fonds voor de Letteren)? André van Halewyck (Van Halewyck)? Geert Joris (Boek.be)? Rudy Vanschoonbeek (Vrijdag)? Een criticus als Knacks eigen Frank Hellemans? Vergeet het.

De afgelopen maanden is veel geschreven over de opmars van Vlamingen in de Nederlandse uitgeverijwereld. Maar in de Literaire Pikorde zijn ze niet doorgedrongen. Waarom?

Allereerst: De lijst van HP/De Tijd is geen serieus te nemen powerlist van het Nederlandse boekenvak. Het is een grap van de samenstellers - dit jaar alleen Jan Zandbergen - om hun kennissen in het literaire Amsterdamse borrelcircuit eens over de hak te nemen.

Iedereen op de lijst kan rekenen op een sneer. Robbert Ammerlaan (De Bezige Bij) 'schuiert persoonlijk de roos van de schouders van de schrijvendeherenclub, die steeds humeuriger en veeleisender wordt.' Mai Spijkers (Prometheus) is 'na zijn scheiding de schrik van het blondestagiairebestand, dat zuchtend strootjes trekt wie er nu weer met de baas moet gaan lunchen'.

Alleen omdat de grap nu al twaalf jaar duurt, wordt de Literaire Pikorde steeds serieuzer genomen. Er zijn uitgevers die een paar goede of slechte dagen hebben als ze zijn gestegen of gedaald.

De Vlaming die daarom een plek in de Literaire Pikorde wil veroveren, doet er goed aan in Amsterdam zo veel mogelijk boekpresentaties, literaire festivals en andere evenementen van de boekkalender af te lopen. Zijn gezicht moet bekend zijn. Er moet over hem geroddeld kunnen worden.

Clement laat dat toe. Hij woont door de week in een appartement aan de Amsterdamse grachten. Andere Vlamingen doen dat hooguit bij uitzondering. Zij blijven onbekend - dit jaar en waarschijnlijk ook de komende jaren. Zij zullen dus nooit doordringen in de Nederlandse powerlist.

Onbekend maakt onbemind, luidt een ander gezegde.

Maarten Dessing

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Mijn Baskische muts

Dorian van der Brempt, directeur van deBuren, ontdekte voor het eerst 'de mooie en zachte kant van het nationalisme' in het fiere Bilbao van Guggenheim: 'Waarom is onze pretentie rechtstreeks omgekeerd aan onze ambitie?'

"Onze samenleving en tijd zijn gekenmerkt door overdaad aan informatie en prikkels, door materialisme en een verlies aan ethische waarden. Tegen deze achtergrond verschijnen een vrouw en een man in crisis. Geconfronteerd met hun verlies aan hoop en individualisme krijgen zij een ultieme kans om tot communicatie en harmonie te komen ...", zo wordt de dansvoorstelling aangekondigd die me naar Bilbao bracht.

Danzaldia is een bescheiden festival in Bilbao. Het is wel een internationaal festival want naast een sterke Baskische en Spaanse aanwezigheid is er ook danstalent uit Brussel. German Jauregui is een Brusselse Bask die van 1998 tot 2008 met Ultima vez van Wim Vandekeybus werkte. Hij richtte er twee jaar geleden zijn eigen gezelschap Sonda op. Samen met zijn broer Jorge hadden ook deze twee talentvolle dansers ontdekt dat Ultima Vez in Brussel een belangrijke broedplaats was voor dans. Net als Vandekeybus of Fabre zijn de broers Jauregui autodidacten. German studeerde handelswetenschappen en zijn broer Jorge kunstgeschiedenis. Hun moeder vertelde hoe beide broers de dag van de diploma-uitreiking naar huis kwamen, het papier aan hun moeder overhandigden met de mededeling dat ze hun afspraak waren nagekomen maar nu dringend moesten dansen.

Het resultaat mag er zijn. German Jauregui zet met Sunset on Mars, een schitterende voorstelling neer samen met Elena Fokina, de Russische danseres die hij bij Ultima Vez leerde kennen. In een zuinig en efficiënt lichtdecor van Francis Gahide en op muziek van Borja Ramos bewegen Elena en German zeer voorzichtig op een tapijt van zevenhonderd boeken die open op de scène liggen. De origine van de beweging is erkenbaar maar German heeft aan de danstaal en syntaxis van Vandekeybus een eigen kleur gegeven. Sunset on Mars is een moralistisch danssprookje van tachtig minuten. Het lange applaus van het zeer enthousiaste publiek in theater La Fundicion is gemeend. German is terug thuis, de Basken zijn fier dat zijn verblijf in Brussel deze mooie productie heeft opgeleverd.

Met deze voorstelling als aanleiding ontdekken Anne en ik gedurende drie dagen een koud Bilbao, opgewarmd door carnaval. Het werd ook een driedaagse architectuurwandeling. De landing op een luchthaven die Calatrava, de Spaanse bruggenbouwer, ontwierp, zet de toon. Het is een kleine, bijzonder functionele luchthaven geworden in de morfologische vormen van de enige architect die vorige eeuw aan Venetië een brug mocht toevoegen. Ik ben heel even de niet-fanatieke Antwerpenaar en denk aan ... Lange Wapper, het referendum en de luchthaven van Deurne. Waarom is onze pretentie zo dikwijls omgekeerd evenredig aan onze ambitie?

Bilbao is een fiere stad. De keuze om hier een Guggenheim-museum te bouwen met de Amerikaanse architect Frank Gehry was gedurfd maar juist. Deze visionaire politieke beslissing om aan de oever van de rivier dit museum te bouwen was veel meer dan citymarketing. In de stad werd met één gebouw geloof, hoop en liefde ingespoten. Ik wil het gebouw niet beschrijven. De kronkels van Gehry zijn onvoorspelbaar en moeilijk te beschrijven. Het is een gebouw dat de nieuwsgierigheid prikkelt en de verbeelding stimuleert. Dat wij in dit Guggenheim nog de laatste dag van de Frank Lloyd Wright-tentoonstelling mochten meemaken, was een bonus. Deze cohabitatie van twee van de meest spraakmakende architecten van de twintigste eeuw was een geschenk.

Beschouw dit als een uitnodiging om Bilbao te bezoeken. In hotel Miro slaapt u in een discreet design hotel. Het klinkt als een contradictio in terminis maar zelden hebben wij een hotel zo ervaren. Voor het eerst ontdek ik de mooie en zachte kant van nationalisme. Nog nooit was ik in een stad geweest die zichzelf zo goed verzorgt, die haar gasten zo genereus ontvangt. De kou en de prille liefde hebben mij een Baskische muts doen kopen. Een hoofdverwarmend attribuut dat ik zal koesteren. Bilbao is een nieuwe vriendin die ik heel graag met u deel.

(Recente negatieve ervaringen van voetbalsupporters hebben alles met voetbal ... en niets met Bilbao te maken.)

Dorian van der Brempt

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Hoe verschillend is de Vlaamse van de Nederlandse lezer?

Als het uit het buitenland komt, lezen Nederlanders en Vlaanderen wel vaak hetzelfde. Maarten Dessing vergeleek de Vlaamse en Nederlandse best verkochte boekentitels.

Nederland en Vlaanderen lezen niet meer hetzelfde. Het is inmiddels zo vaak gezegd - bij de overname van PCM door WPG en Lannoo herhaalde WPG-baas Koen Clement het nog maar eens. Het is bijna een cliché geworden. Toch is het maar ten dele waar.

Kijk naar de bestverkopende titels van 2009. De nr. 1 van Vlaanderen, Piet Huysentruyt, zul je tevergeefs in de top 100 van Nederland terugvinden. Sterker: je vindt nog eerder de spreekwoordelijke speld in de hooiberg dan een Nederlander die de bourgondische tv-kok kent. Andersom doet het spitsvondige taalboekje 'Taal is zeg maar echt mijn ding' van cabaretière Paulien Cornelisse - vorig jaar meer dan 200.000 exemplaren verkocht - niets in Vlaanderen.

Mensen als Koen Clement staren zich echter blind op de verschillen. Kijk ook naar de titels die op beide lijsten staan. Stieg Larsson: in beide landen haalde zijn trilogie de top tien. Dan Brown, Carlos Ruiz Zafón, Paolo Giordano: idem. Stephenie Meyer: in Vlaanderen op 10, 11 en 12, in Nederland op 37, 50 en 68. Khaled Hosseini: in Vlaanderen op 15 en 20, in Nederland op 21 en 54.

Wat uit het buitenland komt en dus niet massaal wordt ondersteund door aandacht in de eigen media, slaat in beide landen even goed aan.

Natuurlijk: genoemde voorbeelden zijn internationale hits. Brown, Meyer, Larsson en Hosseini verkopen wereldwijd uitzonderlijk goed. Maar ieder land heeft zijn ongrijpbare buitenbeentje dat opeens een opmerkelijk groot publiek vindt. Juist daarin zie je hoe zeer Nederlandse en Vlaamse lezer naar hetzelfde boek grijpen.

Duitsland had zo in 2009 een voorliefde voor Simon Beckett - nergens ter wereld verkoopt het complete leverbare oeuvre van de Britse thrillerauteur zo goed. In Frankrijk haalde Hugh Laurie met zijn debuut 'The Gun Seller' dit jaar nummer 11 op de jaarranglijst - in eigen land verkocht de acteur dertien jaar eerder (!) maar een fractie van de Franse vertaling.

Het opmerkelijke succes in Nederland en Vlaanderen is de Franse schrijfster Tatiana de Rosnay. Met 456.821 verkochte exemplaren was 'Haar naam was Sarah' het een na best verkochte boek van Nederland. In Vlaanderen haalde het boek de top twintig niet, maar het kan niet anders of het heeft niet veel gescheeld: al een half jaar staat het boek onafgebroken hoog in de wekelijkse top 100 van Boek.be.

In Duitsland, Amerika of Engeland heeft 'Elle s'appelait Sarah' ook aardig verkocht, maar bijna lang niet zo goed als de Nederlandse vertaling. In geen van deze landen had het boek ook maar een schijn van kans om de top 100 van het jaar te halen. Ook in eigen land scoorde Tatiana de Rosnay in het jaar van verschijnen niet zó goed.

Die wekelijkse top 100 onthult nog meer. Zo verkoopt de grootste Nederlandse fictie-bestseller beter in Vlaanderen dan Koen Clement doet geloven. 'Het diner' van Herman Koch (nr. 4 van 2009 in Nederland) heeft in totaal al 21 weken in de Vlaamse top 100 gestaan. 'De verbouwing' van Saskia Noort (nr. 5 van Nederland) heeft het vijf weken in de top 100 volgehouden.

Zelfs Kluun, met 'Komt een vrouw bij de dokter' hét verkoopsucces in Nederland van de afgelopen jaren, begint eindelijk een publiek te vinden in Vlaanderen. De afgelopen twee weken stond hij in de top 100. Maar dat komt door de verfilming die al enige tijd in de bioscoop te zien is. Laten we eerlijk blijven.

Maarten Dessing


door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een nieuwe lente een nieuwe smoel

Hoog tijd, aldus Guido Lauwaert, dat er in de Vlaamse toneelwereld een nieuwe generatie tekstauteurs opstaat. Het Engelse coachingvoorbeeld kan wonderen doen.

Het performancetheater heeft een lange weg afgelegd. Deze toneelvorm kende een grote opgang in de maalstroom van de studentenrevolte van de jaren zestig. Toen iedereen weer keurig naar de klok leefde, heeft ze een onderhuidse evolutie gekend. Wilde je als regisseur in de pers en de prijzen vallen, was circustoneel een noodzaak. Door een aantal sterke producties is het fenomeen zelfs een hogere vorm van toneel geworden. Maar eind van de jaren tachtig kwam de klad erin. De performance werd een ideeënstuk, een samenraapsel van plotse ingevingen, verknipte fragmenten uit klassieke werken en persoonlijke parade.

Een theatermaker met verstand zag het gevaar en probeerde het tij te keren. Zijn pogingen lagen echter in het spoor van het ideeënstuk, want een al te abrupte ommezwaai zou faliekant geweest zijn voor het eigen gezelschap en eigen financiële waarde op de eerste plaats. Want ook dat is belangrijk om de toneelperiode van de laatste 40 jaar te begrijpen: een vaste baan, een vast loon, kortom, een terugkeer naar een conservatief bestaan, halen het op experiment en risico.

Mooie liedjes duren echter niet lang. Niet alleen critici maar ook toeschouwers wenden zich stilaan af van het ideeënstuk. Veel gezelschappen, gespecialiseerd in dat soort van toneel, trekken niet veel publiek meer. Na de premièredagen wordt er gespeeld voor zo goed als lege zalen, tenzij mediasponsors toegangskaarten in het rond strooien. En dan nog. Mediasponsors proberen de laatste tijd op het paniekerige af een manier te vinden om mensen die toegangskaarten 'gewonnen' hebben, ook te verplichten ze te verzilveren. Want niet opdagen werkt nadelig op het imago.

De beroepsperformers in Nederland, Vlaanderen, en Brussel, zagen ook wel in dat de wind aan het keren was, maar een directe oplossing hadden ze niet bij de hand. Jarenlange vegetatie had hun verbeelding en hun lef aangetast. In plaats van een grote ommezwaai kwam er slechts een bijsturing: hernemingen van oude, succesvolle producties. Elk gezelschap heeft er wel een paar. Tien jaar KVS onder leiding van Jan Goossens heeft maar twee uitschieters opgebracht: 'Missie', van David van Reybrouck en 'Leopold II', naar het gelijknamige stuk van Hugo Claus.

Een hoop treurnis dus in theaterland, een toestand die extra bevestigd wordt door een televisieserie als 'Oud-België'. Want diep verscholen achter het idee van deze productie klinkt de roep naar het goede oude toneel. Liever revuetheater dan ideeëngetater.

Gelukkig tekent zich aan de einder een kentering af. Een kentering die toneel opnieuw de plaats wil geven waar het recht op heeft: de eerstgeborene te zijn van de literatuur. De kentering is ontstaan in het land met de beste acteurs ter wereld, de beste televisieseries ter wereld (met eenzaam op kop 'The Singing Detective', van toneelschrijver Dennis Potter!, de beste toneelstukken sinds de Reformatie (van Shakespeare en zijn tijdgenoten, over Shelley, Shaw, Beckett tot Harold Pinter).

De grote boottrekker van de ontluikende lente is Sarah Kane. Helaas heeft zij te kort geleefd om als persoon faam te verwerven. Haar zelfgekozen dood, een fractie van het bestaan, is belangrijker dan haar leven. Haar stukken zullen nog wel op het repertoire blijven staan. Analytisch bekeken zijn ze niet alleen wanhoopskreten van een eenzaam mens, maar ook hulpgeroep om toneel in zijn oervorm. Voor haar is poëzie patisserietoneel, want gedichten werden oorspronkelijk geschreven om voorgedragen te worden, niet om te lezen. Aan duidelijkheid daarover geen gebrek in haar laatste stuk 'Crave'. De belangrijkste claus aan het einde van de laatste scène luidt: 'En vergeet niet dat poëzie taal om de taal is. / Vergeet niet dat een ander spreken een ander soort luisteren verseist. / Vergeet het respect niet. / Vergeet het respect niet.'

Sarah Kane heeft de nieuwe koers uitgezet. Rudimentair maar zo doeltreffend dat het geleid heeft tot een ontdekkingsreis. Een nieuwe wereld in de oude. De financier en organisator is, verrassend en toch o zo logisch, het Britse Royal Court Theatre. De directie van dit theater nam begin deze eeuw het besluit op zoek te gaan naar nieuwe generatie toneelauteurs. Bij voorkeur heel jonge, net van de tienerstoel gevallen, precies om de vinger van het toneel heel dicht op de sociale actualiteit te hebben. Daar ze echter moeilijk te vinden waren, is besloten ze zelf op te leiden, via workshops. Tot eigen verbazing van de Royal Court bleken de markantste auteurs vrouwen te zijn. Met als uitblinker Polly Stenham.

Het is 2006 wanneer Polly Stenham een plaats weet te bemachtigen in de jaarlijkse workshop. Tijdens die workshop schrijft ze 'That Face'. Het Royal Court Theatre is dermate onder de indruk dat het stuk meteen op het repertoire wordt genomen. De voorstelling is een geweldig succes. Een recensent spreekt zelfs over 'één van de meest verbijsterende debuten die ik gezien heb.' Stenham wint verschillende prijzen. Een jaar later schrijft ze haar tweede stuk, 'Tusk Tusk'. Opnieuw een daverend succes.

'That Face' is onlangs vertaald en staat dit seizoen als 'Dat Smoel' op het repertoire van het Nationale Toneel, Den Haag. In tegenstelling tot de stukken van Sarah Kane, die extreem egocentrisch zijn, heeft Dat Smoel geen persoonlijke binding. Polly Stenham heeft, naar eigen zeggen, een pracht van een jeugd gekend in een voorbeeldig milieu. Keurige, hardwerkende ouders met een sterke interesse in cultuur, bij voorkeur toneel. Haar inspiratie haalt Stenham voornamelijk uit verhalen van anderen en toneelstukken die ze eerder zag.

Het succes van Polly Stenham is te danken aan het feit dat de toneelauteur opnieuw aan kracht wint en de sociale relevantie van haar stukken. Ze spelen zich niet af aan de zelfkant van de maatschappij, maar in de middenklasse, een klasse die na mei '68 de macht veroverd heeft, maar gefaald is in zijn streven naar een nieuwe orde. Het resultaat is een generatie van jongeren die zo verwend is dat ze agressief en destructief is.

In 'Dat Smoel' is de zoon (18) aan de drank van zijn moeder, en de dochter (15) gebruikt drugs van haar moeder. Het meest merkwaardige aan dit stuk is echter de slachting van de vader. Hij heeft gekozen voor het grote geld, heeft zijn familie verlaten, maar keert weer om orde op zaken te stellen. Dat doet hij ook, maar dank krijgt hij er niet voor. Want, zoals de zoon zegt: 'Pappa, je hebt me hier helemaal alleen gelaten. Dus deed ik wat ik dacht dat jij had moeten doen.' Maar ook de dochter laat zich niet onbetuigd: 'Je wilde denken dat het oké met ons was.' Waarop de moeder kort daarna zegt: 'We hebben hem toch niet nodig. Hij komt te laat.'

Jammer dat deze productie niet verder toert dan Amsterdam. Het Nationale Toneel verdient met zijn producties belangstelling uit Vlaanderen, want het promoot al jaren repertoiretoneel, schuwt daarbij geen experiment of risico, zolang ze ten dienste staan van de oergrondwet van toneel: Het voorstellen van aangrijpende gebeurtenissen met een psychologische, morele of sociale conflictstof als inzet.

Het Vlaamse theater heeft kwaliteit in huis, in het bijzonder wat acteurs, en regisseurs, betreft. Het mist alleen gedegen jonge toneelauteurs, een nieuwe smoel, want Tom Lanoye, David van Reybrouck, Arne Sierens, Peter Verhelst en Filip Vanluchene hebben prachtig werk geleverd, maar vissen al te vaak in een lege vijver. Ze zijn bovendien ook al een dagje ouder.

Guido Lauwaert

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Bij de dood van striptekenaar Jacques Martin (1921-2010)

Jongens in korte rokjes, zoals Alex, het heeft altijd iets vertederends en een hoog Keromar-gehalte. Lukas De Vos over de laatste coryfee van de Belgische School.

Mike Verdrengh in plissé, het was afgekeken van de cultreeks 'Alex, de onversaagde', die de Straatsburgenaar Jacques Martin in 1948 had opgezet voor 'Kuifje'. Er is altijd iets 'juveniels', iets efebisch blijven hangen rond de (mannelijke) koppels die Martin bleef opvoeren. De hoogblonde Gallo-Romein Alex trekt op met het donkerharige knaapje Enak. In de reeks van een ondernemende journalist Lefranc (opgezet in 1952) gaat de hoofdpersoon scheep met de schijtebroek en in die tijd voorbeeldige padvinder Jean-Jean. Het was de periode waarin ook scoutsverhalen als 'De Beverpatroelje' van Mitaq en Charlier (1955) hoge ogen gooide, en reporters helden waren (Jan Kordaat van Jijé en Doisy, 1941; Flip Flink van Charlier en Paape, 1960; en natuurlijk Rik Ringers vanaf 1955, van de zopas betreurde Tibet, die op tweede nieuwjaarsdag overleed).

Maar Martin was anders. Hij dreef op episch talent. 'Alex' (en al zijn klonen: 'Keos' in het oude Egypte, 'Tristan' in de Honderdjarige Oorlog, 'Lois' ten tijde van de Zonnekoning, Arno in de napoleontische oorlogen) offerde avontuur steeds meer op aan historische schetsen. Gedreven door authentieke antieke gedachten als de liefde voor jongelingen en erevriendschappen, waagde Martin zich verder dan de klassieke striptekenaars van 'Kuifje en Robbedoes' - uitzondering gemaakt voor Paul Cuvelier, die in zijn nadagen 'Epoxy' tekende (1968), een overspelig verhaal met veel naakt uit de Griekse Oudheid. Bij Martin was dat een constante, zijn gedrevenheid de oude culturen opnieuw op te graven en zo realistisch mogelijk te reconstrueren, met de acribie van E.P. Jacobs, en de standaard-klare lijn die de school van Hergé verlangde.

Martin dàcht ook vanuit die vergane beschaving, morele terughoudendheid was hem vreemd. Toch entte zich daarop een zeer modern aandoende fascinatie voor intelligente schurken. In 'Alex' was dat Arbaces die jammerlijk aan zijn eind komt in 'Het vervloekte eiland' (1973), na een verwoestende aardbeving en een met een ballista afgeschoten vuurpijl die de klip doet afbreken waarop hij vecht. "Lange tijd daarna, als de baai verlaten ligt, komt het lichaam van Arbaces bovendrijven". Hij heeft dan ook albums lang onze dappere helden het leven zuur gemaakt, en door arglist, verraad en dubbelspel zijn eigen macht bestendigd.

Het gekke is dat de tekenstijl van Martin oorspronkelijk redelijk manhaftig en volwassen is. Met de jaren (en de nieuwe tekenaars, omdat Martin stilaan blind werd; na Bob De Moor werd dat Rafael Morales) verjongen de hoofdfiguren, ze puberen als het ware retroactief. Dan kwam Guy Lefranc er beter van af. Lefranc was een uitvloeisel van Martins verplichte tewerkstelling in de Messerschmidt-fabrieken in Augsburg tijdens de Duitse bezetting - de Koude Oorlog-angst om het gebruik van vernietigingswapens te zien herleven (angst die hij deelde met E.P. Jacobs in diens 'S.O.S. meteoren', en zelfs nog echo's heeft in de laatste albums als 'Londen in Gevaar').
Ook daar is een brein van het kwaad nodig, en wie kon dat beter incarneren dan de gentleman-schurk Axel Borg ? Vanaf 'Het sein staat op rood' is hij een icoon van indiepe slechtheid. Door zijn dubbelzinnigheid wordt hij in de reeks partner uit noodzaak én ultieme vernietiger (partner als ze samen moeten werken in 'Het absolute wapen' - "We stoten elkaar af als tegenpolen en trekken elkaar aan als geliefden" - maar de absolute duivel als radeloze terrorist in 'De vlammenzee', en als (vermoedelijke want onzichtbare) oorlogsminister in 'De poorten van de hel', een variante op de parabels van Lot en van de Laatste Mens). Lefranc en Borg vormen samen de eeuwige Janus. Borg zegt het zelf in 'De giftige sneeuw': "Wij oefenen een bijzondere aantrekkingskracht op elkaar uit: zodra we elkaar ontmoeten probeert de één de ander uit de weg te ruimen".

Waar de naam Borg vandaan komt is onduidelijk. Lang heb ik gedacht dat Martin gewoon het Centraal Station van Kopenhagen buitenstapte, links afsloeg naar Tivoli en op de hoek aan de Vesterbrogade in grote letters verzekeringskantoor Axel Borg zag staan. Het kan ook dat hij de naam ontleende aan een Zweedse landschapsschilder, of eerder nog aan het hoofdpersonage in August Strindbergs somber, Nietzschiaans drama I 'Havsbandet' (in het Engels vertaald als By the Open Sea).

Strindberg was in 1890 helemaal in de ban van de scheiding der geesten en de ongelijkheid in menselijke ontwikkeling. Zijn Borg is een regeringsinspekteur die een afgelegen visserijdorp weer helemaal op poten zet en van de hongersnood redt. Stank voor dank krijgt hij. Maar tegen de godsdienstwaanzin die het dorp daarna uitlokt, stelt hij het ultieme offer van de Übermensch: de tragische, onafwendbare ondergang als hij zijn sloep de volle zee opstuurt, in de richting van het sterrenbeeld van Hercules, een zoveel waardiger god dan de zwakkeling die de vissers aanbidden. Genie van het kwaad, genie van het zelfbewustzijn, de Axel Borg van Jacques Martin had onmiskenbaar Strindbergiaanse trekjes.

Ik heb Martin een jaar of zeven geleden in Brussel nog geïnterviewd. Hij was broos, bleek en achterdochtig, geflankeerd door Morales met wie hij net uit Zwitserland kwam, en nog helemaal in de ban van zijn eigen oeuvre. Maar dat hij een archetype heeft nagelaten van de beschaafde schoelie staat buiten kijf. Daar kunnen geen helden tegenop. Axel Borg staat er borg voor.

Lukas De Vos

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

STAALKAART - Een glossy over kunst en cultuur

Ondanks het feit dat het blad fraai blinkt, very glossy, is de vormgeving ietwat belegen. Van hetzelfde niveau als de pr-magazines van Agfa, Barco, of onze nationale staaldraadfabrikant Bekaert.
Bij nader inzien blijkt STAALKAART waarlijk een cultuurmagazine te zijn, overeind gehouden door vijf pijlers van gewapend beton: Muziek, Literatuur, Theater & Dans, Beeldende Kunsten en Partners.
Gedegen artikels bevat het, geschreven door vakmensen, maar hun bijdragen missen helaas scherpte, en het extra laagje stijl dat de redacteurs van het kunstblad Hollands Diep wel hebben, al moet gezegd dat de eerste generatie dat veel sterker had dan de huidige.

De algemene indruk is er een van 'een aangeklede agenda'. Die mening wordt versterkt door de vijfde pijler. De programma's van de adverteerders, herdoopt tot partners, krijgen wel heel veel ruimte. Storend is tevens dat medewerkers nauwelijks geïdentificeerd worden. Zoals Hennie Lenders. Zij kruipt in de huid van Domenikos Theotokopoulos, bijgenaamd, El Greco. De Spaanse schilder van Griekse afkomst en de paus hadden een moeilijke relatie en 'de Griek' had nogal wat kritiek op het Sixtijnse werk van Michelangelo. In het artikel in de ik-vorm wordt daar niet op ingegaan, hoewel paus en collega er uitvoerig in aan bod komen. Een kaderstukje met afkomst en palmares van de auteur had heel wat vragen bij het lezen vermeden. Als zij - of is zij een hij? - een hoogleraar blijkt dan is het artikel een typisch voorbeeld van klein-academisme. Is zij daarentegen een amateur-speleoloog, dan is het bijzonder vermakelijk.

Het interview van Elke Brems met Charles Ducal is dan weer een verademing. Aanleiding is het derde poëziepleidooi, n.a.v. Gedichtendag op 28 januari, en de recente verschijning van Ducals zesde dichtbundel 'Alle poëzie dateert van vandaag'. Elke Brems combineert documentatie met informatie, op zulke wijze dat het interview eerder een onderonsje is dan een verhoor.
Het essay 'Het Belgisch Filmjaar 2009' van de hand van Erik Martens is boeiend, maar jammer genoeg stroef, en er stijgt een pedante geur uit op. '200 jaar Frederic Chopin', gecomponeerd door Bart Tijskens, is alles behalve een treurmars. Het huppelt en het heeft een gezonde bekeringsdrang.

Voor de cultuurminnaar die wil weten wat er aan artistieke koopwaar staat aan te komen, of net op de kade gelost werd, is STAALKAART een prachtige informatiebron. Twee vragen spookten bij de vorming van het blad door het hoofd van de hoofdredactie en de uitgever, zoveel is wel duidelijk: A - voor wie is het bedoeld? en B - heeft de doelgroep er iets aan?

Het grote gevaar voor STAALKAART is de aankoopprijs. Prijzig. Wat voor aarzeling kan zorgen bij wie aanschaf overweegt. Kioskhouders houden daar niet van. Onlangs, wachtend op de trein, doorbladerde ik Vrij Nederland in het Centraal Station van Antwerpen. Prijs/kwaliteit overweging. De dame aan de kassa hield mij nauwlettend in de gaten en ik was niet eens halverwege of haar hinnikende stem beschadigde mijn trommelvliezen: Meneer! Het is hier geen bibliotheek!

Mits enige bijsturing zou STAALKAART wel eens een blijvertje kunnen zijn. De cultuurminnaar heeft altijd honger. Maar hij wil kwaliteit, geen fastfood. En hij wil allerminst gepaaid worden door een hoofdredactie die hem tot aanschaf tracht te overtuigen met een cadeau. Aan een cadeau is niks fout. Aan het prominent in beeld brengen van het cadeau - tot in de kop van het openingswoord! - daarentegen wel. Dat is zaak van de promotie. Ook voor een medium geldt voor de geloofwaardigheid een scheiding van Kerk en Staat. Of algauw komt de geest van de Grote Lijmer spoken, Willem Elsschot. In het dagelijkse leven Alfons De Ridder. De man die doelgroepen uitvond als hij advertenties rook.

guido lauwaert

STAALKAART - cultureel magazine - verschijnt 5 x per cultureel jaar. In de zomermaanden is er een extra editie. - los nummer: 10 euro / abonnement: 40 euro www.staalkaart.be

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Ook vroeger was boeken-tv echt zo goed niet

Is de boekentelevisie tegenwoordig zo slecht? En vroeger zo goed? Maarten Dessing legde het legendarische 'Literaire ontmoetingen' naast het bekritiseerde 'Iets met boeken'.

In het tweede seizoen krijgt het boekenprogramma 'Iets met boeken' het weer flink te verduren. Het is 'ondoordacht' (De Morgen). 'Alle hoop op verbetering (is) de dieperik ingeslagen' (De Standaard). Kijkers werden 'moedig' genoemd (ook De Standaard). Tegelijk werd het eind oktober op dvd verschenen 'Literaire ontmoetingen', het legendarische Nederlandse boekenprogramma uit begin jaren zestig, de hemel in geprezen. 'Zo zou het eigenlijk moeten' (Arjan Peters). 'Juweeltjes' (Hans Renders). 'Memorabele boekentelevisie' (De Morgen).

Dat is veel te makkelijk. Zo slecht is 'Iets met boeken' niet. En zo goed zijn de literaire ontmoetingen van H.A. Gomperts en Hans Keller met de literaire grootheden uit begin jaren zestig evenmin.

Met de formule van 'Iets met boeken' is weinig mis: twee presentatoren die de schrijvers van hun favoriete boeken van dit jaar uitnodigen en daar vervolgens een gesprek over voeren. Een weinig diepgravend gesprek, maar wél een gesprek over het boek. Het enige wat niet klopt is het gebrek aan affiniteit met boeken dat Jan Leyers en Leon Verdonschot uitstralen. Maar soms lukt het wel: het gesprek met Ivo Victoria en Thomas Verbogt op 6 december was prettig, ontspannen en de juiste mix tussen vragen over het werk en vragen over de auteur.

Ook op de eenvoudige formule van 'Literaire ontmoetingen' is niets af te dingen. De uitzendingen van een half uur tot driekwartier portretten van auteurs aan de hand van getuigen (zoon Walter de Ridder over Elsschot) en sfeerbeelden van belangrijke plaatsen (het Harlingen van Simon Vestdijk). Als de geportretteerde nog leefde - dat waren de meeste - werd het portret onderbroken door een live uitgezonden interview van Gomperts, de deskundige recensent van Het Parool.

Maar de pionierende Gomperts en Keller sloegen ook weleens de plank mis. Neem de uitzending met Mulisch. Gomperts neemt zo kort zijn oeuvre door dat het een zeer oppervlakkig inleiding is. Jongeren en vrienden vertellen over Mulisch' werk (een 'smerig schrijver', vindt de jeugd), maar de auteur krijgt niet tot nauwelijks de kans daarop te reageren. Een gemiste kans. Daarentegen voeren Gomperts en Mulisch een eindeloos, voor mij onbegrijpelijk gesprek over logica en post-logica. Had Nederland toen al meer dan één zender gehad, een grote meerderheid zou hebben gezapt.

Waarom beschouwen velen 'Literaire ontmoetingen' toch superieur aan 'Iets met boeken'? Is het de ironische distantie van Gomperts die het zo prettig maakt naar hem te kijken? Roept zijn accent, exact hetzelfde als dat van Adriaan van Dis, diens succesvolle programma in herinnering? Of geeft de literair-historische waarde van 'Literaire ontmoetingen' de doorslag? Want ontegenzeggelijk is de keus van de geportretteerde gasten voortreffelijk: van Gerrit Achterberg en J.C. Bloem tot Hugo Claus en Gerard Reve. Het zal wel een beetje van al deze redenen zijn.

En niet te vergeten: wie een boekenprogramma op tv brengt, krijgt altijd felle kritiek. Ze moeten voldoen aan een onmogelijk ideaalbeeld dat recensenten in hun achterhoofd hebben. Adriaan van Dis kan erover meepraten. 'Wat heb ik die negen jaar op mijn donder gekregen', schreef hij in zijn herinneringen aan zijn televisie jaren. Pas later kreeg hij waardering - die zelfs 'mythische proporties' heeft aangenomen. 'Alle geklungel was vergeten De blunders. Het vallen en opstaan.'

Of 'Iets met boeken' dezelfde lof zal krijgen, valt te betwijfelen. Maar ik ben wel benieuwd naar de recensies van de dvd over een jaar of twintig.

Maarten Dessing

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Arm (academisch) Vlaanderen (2)

Frank Hellemans vond het niet kunnen dat Matthijs De Ridder voor een literatuurkritiek pleit die zicht helemaal terugtrekt uit de printmedia. De Ridder riposteert - online, zoals het hoort in zijn optiek.

'In geen enkele oorlog als die van '14-'18 is er zoveel literatuur geschreven. Alleen niet bij ons.' Zo stond als 'lead' te lezen bij mijn column in De Standaard van 13-11-2009. Dat mocht volgens Frank Hellemans 'drie dagen nadat Erwin Mortier met 'Godenslaap', een weergaloos universeel verhaal over de Eerste Wereldoorlog van "bij ons", de AKO Literatuurprijs had gewonnen' niet gezegd worden en blijkbaar zeker niet door mij.

Als de heer Hellemans iets weet (hetgeen ik helemaal niet uitsluit), is het wel dat de 'leads' die bij recensies of columns worden geplaatst zelden van de hand van de auteur zijn. Ik was in ieder geval niet echt opgezet met deze verkeerde samenvatting. Maar los daarvan is Hellemans' argument natuurlijk enigszins potsierlijk. Als ik in een column (u weet dat in een column een zéér persoonlijke mening wordt geformuleerd?) beweer dat er in België noch in Vlaanderen een roman bestaat die de bron is voor een breed gedragen 'vertelling' over de Grote Oorlog, dan zeg ik daar niet eens iets uitdagends mee. Er zijn hier geen boeken als 'Le Feu', of 'Goodbye to All That,' boeken die op verplichte leeslijsten staan en zo bijna een eeuw na de feiten de respectievelijk Franse en Engelse perceptie van de Eerste Wereldoorlog nog steeds kleuren. Of er in die week al dan niet terecht een boek is bekroond waarin de Eerste Wereldoorlog op bevreemdend poëtische wijze wordt geëvoceerd, doet dan niet ter zake.

Maar nu we het er toch over hebben: ik dank Hellemans van harte voor zijn bozige uitval. Het weze maar weer eens bewezen dat er dezer dagen een bijzonder benauwende literatuuropvatting heerst. Niet alleen in de media, maar eigenlijk overal. Het toverwoord 'universalisme' is weer helemaal terug van weggeweest. Als er maar ergens eeuwige en vooral ware thema's zijn aan te wijzen (clichés noemden wij die thuis altijd), dan is de literaire kwaliteit wel weer bewezen. De vraag of het ook een zinnige of in ieder geval interessante analyse van een belangrijke episode uit de geschiedenis is, hoeft dan door deze genotsdronken gemaksestheten niet meer beantwoord te worden. Het is immers toch zo 'mooi', meneer. Iedereen die iets anders zegt (bijvoorbeeld: wat een vreemd idee om in de eenentwintigste eeuw een impressionistisch en esthetiserend boek te schrijven over de eerste 'totale oorlog' uit de geschiedenis), of het meesterwerk zelfs onvernoemd laat, is een renegaat. Wel, die titel prik ik alvast op mijn hoed.

Maar er zit Hellemans duidelijk nog iets anders dwars. Ik heb namelijk ergens ver buiten de mainstream media geschreven dat ik niet meer zo'n hoge pet op heb van wat er in die gedrukte media gebeurt. Daar ligt nogal een duidelijke en bepaald niet persoonlijke analyse aan ten grondslag. Om het publiek te behagen denken kranten en tijdschriften een kniebuiging te moeten doen naar hun lezers, hetgeen resulteert in steeds kortere stukken over steeds minder boeken. Of de lezers daarmee een dienst wordt bewezen, is maar helemaal de vraag, zeker als ze worden bediend door mensen die niet alleen een wat oubollige literatuuropvatting cultiveren, maar die opvatting blijkbaar ook nog aan de medemens willen opleggen. Elke tegenstem wordt immers als lasterlijk van de hand gedaan.

Ik zou mijn pleidooi voor een afscheid van de gedrukte media als meest geëigende plek van de literatuurkritiek hebben geschreven omdat ik niet zou kunnen functioneren op papier. Als dat zo zou zijn, dan zou ik mij natuurlijk redelijk kinderachtig opstellen, maar in dat geval zou Hellemans ook geen aanvechting hebben gevoeld om mij zo nadrukkelijk te bestrijden. Ik 'diskwalificeer' mijn 'bezigheid' immers tot 'onschuldige spielerei'. Laat varen, zou ik dan denken. Maar het feit dat Hellemans gepikeerd reageert, geeft aan dat ik een gevoelige snaar heb geraakt. Wat nu, als nog meer mensen weigeren om de marktmodellen, aan de hand waarvan literaire bijlagen en rubrieken worden afgerekend, 'vrolijk te accepteren' om angstvallig te trachten nog iéts van het oude Bildungs-ideaal overeind te houden? Ja wat dan? Dan is Hellemans én zijn werk én zijn geloofwaardigheid kwijt. En dat zou natuurlijk jammer zijn. Van de weeromstuit eist Hellemans dus van de 'publieke intellectuelen' dat zij zich blijven inzetten voor de commerciële media, en vooral dat men hem als recensent én jurylid gelijk geeft.

Eens te meer wordt hier de onfeilbaarheid van de journalist geponeerd. Hoe luid de tegenstemmen immers ook klinken, het is nooit de journalistiek die faalt. Nee, ook hier hebben de academici het weer gedaan. Terwijl het klimaat aan de universiteiten ongunstiger is dan ooit, zou de jongste lichting academici zich laf terugtrekken in de beschutting van hun titels en protocolaire kledij. Gemakszucht is hier natuurlijk niet in tel. Als het om werkgelegenheid zou gaan, dan zou ik me niet tegen de media moeten afzetten, maar deze potentiële werkgever juist moeten omarmen. Zoals Hellemans doet, die evenwel een wat genânte zelfverloochening nodig heeft om dit punt überhaupt te kunnen maken. Tenzij hij niet meer aan zijn doctorstitel herinnerd wil worden. Daar schuilt natuurlijk de echte vlucht. Niet die van de universiteit naar de echte wereld, maar die van het intellect naar de middelmatigheid. Het gaat Hellemans blijkbaar niet meer om de kwaliteit en zeker niet om de diversiteit van de cultuurkritiek in de massamedia, maar om het bestaan ervan. Dat recht heeft hij natuurlijk, maar dan moet hij 'zijn' bezigheid niet als een essentiële bijdrage aan de culturele natie omschrijven (wat me het tegendeel van 'spielerei 'lijkt te zijn).

Vitale literatuurbeschouwing moet kritiek kunnen verdragen. Kan ze dat niet - zoals hier overtuigend blijkt - dan voelt ze zich blijkbaar in haar diepste wezen aangetast en vreest ze voor haar bestaan. Nieuwe initiatieven als het literaire internetplatform De Reactor vormen dan natuurlijk een bedreiging. Zo bezien zijn we het dus weer roerend met elkaar eens.

Matthijs De Ridder

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Arm (academisch) Vlaanderen

Als het van Matthijs De Ridder afhangt, hoort literatuurkritiek niet meer thuis in dag- en weekbladen. Frank Hellemans vraagt zich af wat een jonge criticus-academicus bezielt om zo laf het hazenpad te kiezen.

'In geen enkele oorlog als die van '14-'18 is er zoveel literatuur geschreven. Alleen niet bij ons.' Drie dagen nadat Erwin Mortier met 'Godenslaap', een weergaloos universeel verhaal over de Eerste Wereldoorlog van 'bij ons', de AKO Literatuurprijs had gewonnen, bestond Matthijs De Ridder het om in De Standaard zijn zwanenzang in de printmedia met deze onderkop te beginnen. Om het mes nog een beetje dieper in de wonde te draaien, toeterde de streamer in de marge: 'Waar is de literatuur gebleven in onze herinnering aan de Eerste Wereldoorlog?' Kortom, De Ridder zag nergens in de Nederlandstalige literatuur 'een beklijvende vertelling' over de Grote Oorlog terwijl hij er verdorie met zijn neus vlakbij stond.

Als je bijna tegelijkertijd in De Leeswolf dan De Ridder hoort verkondigen dat het voor de ernstige literatuurcriticus tijd wordt om afscheid te nemen van de gedrukte media en zich terug te trekken in de internetspeeltuin, zou je haast blij zijn dat De Ridder - na een dergelijke gaffe - inderdaad de handdoek smijt. Maar dat is buiten de kunstjes van slimme Matthijs gerekend.

In zijn 'Pleidooi voor een koel afscheid van de dagbladkritiek' gaat hij zijn persoonlijk onvermogen opportunistisch omfunctioneren tot een historische noodzaak. Teneur van het pleidooi: de printmedia zijn nu eenmaal een kapitalistisch winkeltje waar degelijke cultuurkritiek geen plaats heeft. Laat ons dat niet betreuren maar vrolijk accepteren. Er zijn genoeg niches waar wél aan onderbouwde kritiek kan worden gedaan: zie Internet in het algemeen en het internetplatform De Reactor in het bijzonder waar De Ridder ondertussen onderdak heeft gevonden na zijn exit uit de dagbladkritiek. Wat is de relevantie nog van dergelijke literaire nichekritiek wanneer je eerst de handdoek smijt omdat je toch geen serieuze ideeën meer kwijt kunt in de publieke media?

Deze cynische abdicatie van de criticus is du jamais lu . De Ridder: 'We moeten er dus misschien gewoon mee ophouden om kranten (en opiniebladen) als de uithangborden van onze cultuur te beschouwen.' Nee, we moeten er juist mee begaan zijn om als publieke intellectuelen - want dat zijn critici op hun best - het publieke debat te zoeken, zeker in een commerciële omgeving die veel mensen kan bereiken. Wie zich fluitend terugtrekt, veroordeelt zichzelf tot het kleuterdom en diskwalificeert zijn bezigheid tot onschuldige spielerei .

Als dat de marsrichting is die de jongste lichting academische literatuurspecialisten uitgaat, kan de geëngageerde literatuurbeschouwer er maar beter mee ophouden. Ach, laat ons toch gerust in onze zandbak! Zolang de toga me maar beeldig staat en ik met mijn confraters beschaafd van mening kan verschillen. Er is toch geen haan meer die naar literatuur en literatuurkritiek kraait. Cultivons notre jardin.

Arm Vlaanderen.

Frank Hellemans

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 
In 'De insider' laten Knack-redacteurs en - medewerkers wekelijks hun licht schijnen over de literaire actualiteit van binnenuit bekeken.