Dagboekgedachten (16)
'Als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok (...).' Benno Barnard ziet de vogeltjes vliegen.
Maandag (de leden van het vogelkoor op zaad en nootjes getrakteerd - ik moet er niet aan denken dat in april al mijn zangers dood zijn) Lezers, ik groet u! U, mevrouw, die wilde weten wie de mysterieuze zaklampseiner was (Wiel Kusters), en u, meneer, die met de humor van een gentleman hebt gereageerd op mijn berisping over de Tridentijnse mis: ik zwaai met mijn hoed naar uw schimmen.
Dinsdag (vannacht citeerde de uil langdurig uit zijn griezelverhalen) De bleke Masja accordeert met sneeuw en ijs. Zij, onze werkster, die met een muts van astrakan voor de deur staat, is afkomstig uit Moermansk, het noordelijke kerkhof van de Russische onderzeevloot. Ik stel me voor dat die stad 's nachts een fosforescerende gloed uitstraalt doordat alles er nucleair besmet is. Een zieke metropool: ook in het hart van de ijspegels die van de dakgoten hangen, brandt een vreemd licht. Maar in haar verbazingwekkende Frans, dat voornamelijk uit lege negentiende-eeuwse frasen schijnt te bestaan, die ze opvult met woorden als torchon en seau , vertelt Masja nooit iets over haar geboortestad; wel merkte ze vorig jaar een keer op dat ze het klimaat in België merkwaardig vond: één lang, lauw, vochtig tussenseizoen. Maar nu beleeft ze voor het eerst in zes jaar een winter.
Woensdag (veel koolmeesjes: knappe arbeidersmeisjes) (al zijn het mannetjes)
Intussen hindert het me vaag dat Masja, deze ijsprinses van nog niet half mijn leeftijd, mij vousvoyeert. Mijn ijdelheid is in het geding - helaas, haar verwekker moet van mijn leeftijd zijn. Dat vous van haar is als een artefact uit een voorbije beschaving; het effect ervan op mij verraadt dat ik niet alleen een ouwe bok ben, maar ook een slachtoffer van de egalitaire drift, net zoals al die kinderen die nooit van hun ouders geleerd hebben dat je mensen hoort te begroeten wanneer je ze tegenkomt. Ik merk tot mijn ergernis dat ik niet meer op een natuurlijke manier kan omgaan met het respect dat een lager geplaatste mij betuigt. In het schimmenspel geheten De leugen der universele gelijkheid klinkt 'een lager geplaatste' als een scheldwoord, wat curieus is, want ten opzichte van weer anderen ben ikzelf ook een lager geplaatste. Maar ach, volgens de onder mijn soortgenoten dominante ideologie plaatsen wij onszelf - en meer bepaald bovenaan.
Donderdag (als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok: geen beter symbool van de demografische jihad dan die vogel)
Het comité Brugge Mariastad wil een tentoonstelling laten sluiten die met groot enthousiasme het christendom bespot, of althans de band tussen religie en macht. Het comité neemt vooral aanstoot aan een kermiskraam, bedacht door een zekere Peter Puype, waarin bezoekers gipsen Mariabeeldjes met stenen aan gruzelementen mogen gooien. Wat zal de artiest genieten van alle aandacht! Zijn manifestatie van culturele zelfhaat druipt van het puberale verlangen brave ouwe kwezeltjes, gehecht aan hun troostrijke en volstrekt ongevaarlijke Mariaverering, zo bruut mogelijk te schofferen. Het zou heldhaftiger zijn geweest plaasteren posturekes van Mohammed te vervaardigen, beste kunstenaar, en die kapot te laten gooien - ook niet erg fijnzinnig, maar dan beledigde je tenminste een echte vijand, dubbelop zelfs, door eerst de Profeet af te beelden en hem vervolgens te vernietigen. En dan was die tentoonstelling in een oogwenk door de autoriteiten gesloten, zodat je een martelaar van de vrije meningsuiting was geworden... en dat in onontplofte toestand!
Vrijdag (een merel in de sneeuw - de dichtregel 'in jeder Amsel hab' ich dich geliebt' van Yvan Goll wordt betekenisloos als die bijbelzwarte niet zit te tierelieren op het dak)
Ik betrapte onze pup terwijl hij lag te kauwen op de blijkbaar bijzonder smakelijke lederen band van 'La Belgique Illustrée' (Larousse, Paris, Préface d'Émile Verhaeren). Het boek was veranderd in pure materie, afkomstig van een dier dat in 1915 had geleefd.
Nog steeds vrijdag (kraaiengekras)
In Egypte worden Koptische christenen vermoord. Nadia Fadil, Sami Zemni en Herman De Ley, of hoe heet die derde nationale moslimintellectueel ook alweer, zwijgen met de zedigheid van kostschoolmeisjes. Een democratisch verbod het islamitisch territorium af te bakenen met reusachtige bajonetten is natuurlijk een veel groter schandaal.
Zaterdag (vier Heilige Geesten zitten zich vol te vreten)
Ik was negen jaar toen het IJsselmeer dichtvroor en mensen er met de auto op rondreden. Reinier Paping won de Elfstedentocht. In de daaropvolgende zomer vergaapte ik me voor het eerst aan de schoonheid van de vrouwen. Het navolgende is een onvatbare gedachte: als ik dat verre moment (vijfenveertig jaar geleden) op het midden van een tijdsas zet, ligt het begin van die as in 1919, het geboortejaar van mijn moeder: er zijn twintig miljoen mensen op het slagveld van de Spaanse griep gesneuveld, de grafheuvels van tien miljoen soldaten zijn vers gedolven, een Duitse ex-korporaal begint het ei van zijn rancune uit te broeden... Maar mijn oudere vriend J., die dezelfde oefening doet, belandt in 1895: 'Het is de tijd van de Belle Époque, terwijl de wereldoorlogen nog in het verschiet liggen, de K.u.K. nog fest gesattelt is, Proust zijn vakantie in Kreuznach (Duitsland) doorbrengt en al mijmert over zijn vroegere kindervakanties in Illiers en Houlgate, het wilhelminische Duitsland het enige land ter wereld met een sociale zekerheid is, etc.,etc.'