Een bedroefde emigrant (1)

In april wordt Jeroen Brouwers 70. Benno Barnard over de brieven van Brouwers aan hemzelf toen hij in de Texaanse woestenij vegeteerde als 'een anachoreet op een zuil van zelfbeklag'.

De periode die zich uitstrekte van eind september 1987 tot eind mei 1988 heb ik, nu ik er over een kloof van ruim twintig jaar op terugkijk, met enige overgave aan de verveling en het ongelukkig zijn gewijd; ja, ik overdrijf niet wanneer ik beweer dat ik nooit mismoediger ben geweest dan in die verloren tijd.

Acht maanden lang was ik in Austin, de hoofdstad van Texas, als gastschrijver verbonden aan de universiteit, in het kader van een door het Nederlandse Fonds voor de Letteren bestierd programma. Ik geloof dat het bewuste programma inmiddels is opgeheven, maar ik vraag me nog altijd af wat dat Fonds erbij voor ogen heeft gestaan, want er is bij mijn weten geen enkel boek uit voortgekomen dat zich in Austin of een van de overige participerende universiteitssteden afspeelt. Wel schiet me nu te binnen dat Thomas Rosenboom in hetzelfde academisch jaar in Ann Arbor werd gearresteerd op beschuldiging van handtastelijkheden, door een feministe wier lijk hem nog had kunnen verpletteren.

Waarom voelde ik me zo ongelukkig? Ik was amper de dertig gepasseerd en ik had een beeldschone vrouw. Het lesgeven over Nederlandse literatuur vergde geen buitensporige inspanning van me: ik beschikte over zeeën van tijd om rond te reizen, te lezen, naar de film te gaan, in de kroeg te zitten en te schrijven. Maar ik gedroeg me als een ezel op een bergpad: een licht exotisch geluk wenkte en ik weigerde ook maar een stap in de richting van die top te zetten.

Ik had bovenal een afkeer van dat hele Texas. Het weidse, romantische landschap met paarden en cowboys uit mijn fantasie bleek een stoffige vlakte te zijn. Het was er warm en vochtig. We huurden een bungalow in een golvende laan met veel pompeuze villa's: al onze buren waren welgestelde blanke puriteinen van middelbare leeftijd, Dorische zuilen stutten hun veranda, in hun gemanicuurde tuin drentelde 's nachts een protestantse waakhond rond. Nooit zijn we in die acht maanden door een van onze buren zelfs maar aangesproken, laat staan op de koffie genodigd.

De binnenstad bestond uit vijfentwintig genummerde straten vol kantoorgebouwen. Een kleine wijk daarbinnen werd geroemd om zijn muziekcafés, maar de aldaar aan het lichtnet ontlokte klanken maakten iedere conversatie onmogelijk.

Op de campus wandelden erg veel blonde meisjes rond, netjes opgespoten voor ze hun poppenhuis hadden verlaten, voorzien van een strik op de plaats waar zich het litteken van hun lobotomie bevond. Soms zat ik in een café nabij de universiteit - Les Amis, zonder ironie door de volksmond 'Lazy Me' genoemd - Antwerpen en meer in het algemeen Europa te missen. Ik probeerde met deze of gene een praatje aan te knopen. Gewoonlijk moest ik uitleggen dat België niet in Roemenië lag. Ik slaagde er niet in vrienden te maken, wat merkwaardig mocht heten, want zeker in die tijd was ik een sociaal man. Mijn vrouw zat aan haar proefschrift te werken en had nauwelijks tijd voor me.

Ik zonk weg in een soort lethargie.

Ik citeerde Gertrude Stein over Texas: 'There is no there there.'

Ik wachtte op de recensies van mijn prozadebuut 'Uitgesteld paradijs', dat in Privé-Domein was verschenen en waar ik zo trots op was.

Schrijven deed ik niet.

Dat laatste is niet helemaal waar. Ik schreef wel, maar mijn schrijven was corresponderen, op vellen luchtpostpapier. Midden in die woestijn van vrije tijd zat ik als een anachoreet op mijn zuil van zelfbeklag en gooide vliegtuigjes de lucht in. Ik heb in dat korte jaar zeker driehonderd brieven geschreven en er evenveel ontvangen. Als de elektronische post toen al had bestaan, zouden dat er duizend zijn geweest.

De principale correspondenten waren mijn vader en Jeroen Brouwers, beiden geduchte briefschrijvers en van alle mensen in mijn huidige leven de enigen die nog steeds pen en papier hanteren en aan een postzegel likken.

Mijn eigen brieven aan Willem Barnard heb ik later bewerkt tot een hoofdstuk in 'Het gat in de wereld' (Atlas, 1993; later opgenomen in 'Eeuwrest', ibidem, 2001). Dat hoofdstuk heet 'Alias beste vader' en telt vijfendertig pagina's. De brieven van de patriarch bewaar ik in een kartonnen doos: dat is archeologie voor later, vaatwerk, potscherven, pijlpunten...

Met mijn brieven aan Jeroen heb ik tot op vandaag nooit iets gedaan. Ze hangen in een hangmap in zijn archief te slapen. Omgekeerd heb ik zijn brieven een paar jaar geleden aan het Letterenhuis te Antwerpen geschonken, zonder dat het in me opkwam hem om toestemming te vragen. Toen de afzender dat ontdekte, was hij niet verheugd, om niet te zeggen dat hij me voor het eerst in onze inmiddels bijna zilveren vriendschap een kwaaie brief stuurde. Die brieven waren cadeautjes, niet bestemd voor publicatie, hoe haalde ik het in mijn hoofd, enzovoorts. Die diatribe deed me pijn, moet ik bekennen - ik had die brieven afgestaan omdat ik meende dat niemand er iets aan had als ik ze bij mij thuis bewaarde.

Misschien had ik ze vooral aan dat museum weggegeven omdat ze uit een verdwenen beschaving stamden. Met een hand van vlees op papier geschreven brieven! In een Nederlands dat geen honderd mensen meer beheersen, nu elke tweede journalist in Vlaanderen dingen schrijft als 'voor zij die haar geweld aandoen'. Nu de dativus en de accusativus fossielen zijn die binnenkort alleen nog worden aangetroffen bij opgravingen van bibliotheken uit de Beschaving van Gutenberg. Nu de hele cultuur die mij zo dierbaar is over honderd jaar zal zijn veranderd in een spijkerschrift op kleitabletten, dat enkel nog door specialisten ontcijferd kan worden.

Nu Jeroens zeventigste verjaardag nadert, wilde ik iets over zijn brieven aan die bedroefde emigrant schrijven. Ik verzocht het Letterenhuis om kopieën en mocht die prompt ontvangen.

wordt vervolgd







door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

ongepaste reactie?


 
Tweewekelijks schrijft Benno Barnard over de wereld die hem dierbaar is, in de wetenschap dat het lijk van de moderniteit ons dreigt te verpletteren. Daarnaast presenteert Barnard in 'Mijn Gedichtenschrift' een Nederlandstalig of buitenlands gedicht, waar hij een subjectieve beschouwing aan toevoegt.