Een bedroefde emigrant (2)
'Ik zit in diepediepe Geld Nood.' Brieven van Jeroen Brouwers aan Benno Barnard toen deze laatste in Amerika verbleef.
Het pak brieven van Jeroen Brouwers aan mijn vroegere zelf omvat 65 pagina's, verdeeld over achttien (18) zendingen. De eerste brief dateert van 22 september 1987, de laatste van 8 april 1988. Al deze brieven zijn tamelijk lang, met uitzondering van een aan één zijde beschreven vel ('Exel, 13.XII.1987') dat klaarblijkelijk een Kerstcadeau in de vorm van tabak begeleidde: 'Benno, is dit de Drum die je verlangt en die daarginds niet te koop is? Zo niet, gooi de troep dan maar weg.' Volgt een anekdote over de 'strontvervelende' uitreiking van de prijzen der Jan Campertstichting: 'Mijn troost bestond er uit dat ik de dames van het fluitconcertorkest, die met hun vieren waren, goed kon zien, en vooral het meisje dat de cello bestreek rechtstreeks tussen haar dijen kon kijken.'
Ik schoot bij deze zin hardop in de lach, net zoals ongetwijfeld in december 1987 - ook de andere brieven verschaften me bij herlezing veel melancholiek jolijt. Ze waren zo te zien merendeels bedoeld om mij wat afleiding te verschaffen, met verhalen over het letterkundige leven in de Lage Landen, hier een grapje, daar een huiselijk tafereeltje, ginds een echo van iets wat ik hem over het leven in dat oervervelende Austin geschreven had, elders een vermaning of een kreet ter aanmoediging; en door dit geheel slingert een guirlande van zuchten en fluisteringen over een verliefdheid op een zekere "P.E.I.", want geheel weemoedloos was het leven in Europa ook niet (die naam was een afkorting van het bij Canada behorende Prince Edward Island, waarheen de geliefde weldra zou emigreren).
De afzender heeft net 'Sire, er zijn geen Belgen voltooid' en ontvangt veel fanmail in reactie op zijn in twee delen verschenen 'Kroniek van een karakter' - over de 'receptie' van dat boek gaat het ook in enkele andere brieven. Zo eindigt het kleinood dat bij de tabakszending hoorde: 'Dag! Dakik paas dagge nu iet te smoren hebt onder uwen kerstden.'(Dialect is nooit Jeroens sterkste punt geweest.)
De langste brief - 'Exel, 3.XI.1987' - telt zes dichtbeschreven kantjes in een priegelhandschrift en culmineert in een tekening van 'ons beminde klerenjong' Anne, toen een jaar of zeven, die mij 'groetjes' zendt, benevens een lieveheersbeestje en enige blommetjes. Het epistel begint aldus: 'Dierbare Benno, nu eerst een brief aan jou. Het motto voor onze overpeinzing van vandaag nemen wij uit Ecclesiasticus XXIII: "...is als een brandend vuur, / dat niet wordt gebluscht, eer het verslonden heeft."'
Volgt een beschrijving van een bezoek aan het 'Prompand' in Baarn: 'om daar mijn Kroniek 2, van stichtelijke opdrachten voorzien, aan alle in die Kroniek voorkomende correspondenten te doen afzenden. (...) Van Wimha Zeu, die wel een góeie vent is hoor, kreeg ik vele Prom-, Hadewych-, Ambo- en nog andere boekwerken cadeau. Daaronder de bundel 'Ter gedachtenis' van Guillaume van der Graft. "God is een geriefelijk rijm," las ik, toen ik, in het kantoor Zeu nog, het boekje kreeg overreikt en het op een willekeurige plaats even open sloeg. Deze regel hangt nog steeds in mijn kop.'
Verderop komt de legendarische Julien Weverbergh ter sprake, bij wie de twee delen van het grote brievenboek waren verschenen, in een paraplugewijs met de Prom verknoopte editie:
'Julien, - ik zeg dit over hem met "kritische liefde" of zoiets, met loyauteit met hem, welke toch al danig door saggenrijn is aangevreten, met "begrip" voor hem, met warmte en ook weemoedigheid die komt als davond valt, en schud het allemaal maar uit verschillende flessen in één glas, jij weet wel dat ik het goed met hem meen, - Julien dus, is echt een ZAK. Ik zit in diepediepe Geld Nood. Ik vraag Julien: betaal mij, als zulks kan, nu metéén, mijn honoraria voor de verkoop van de delen I en II van mijn Kronieken, en laat mij daar niet tot volgend jaar mei of juni op wachten, ik behoef dat geld nu , want ik sterf bekanst van de Nood Druft. Schrijft hij mij terug: nee, dat kan niet. Argumenten: er is allerlei geld in de zéér dure produktie van die Kronieken gestoken "dat er niet is uitgekomen". De verkoop stelt teleur. Ik heb al zeer vorstelijke voorschotten gehad. Hij, Julien de uitgever, kan geen "uitzondering" voor mij maken, want ik behoor niet tot zijn "fondsauteurs". Vatjenem, Benno? Jij en Jan Vanriet zaten er zelf bij, die dag, dat hij in Louwhoek de drie, vier ordners met mijn brieven kwam halen. (...) Toen ik laatst in Antwerpen was en naast hem in zijn auto zat, zette hij de kar opeens naast de stoeprand neer. Hij stapte uit en verdween in een slagerswinkel. Zeker even een hem door Petrina opgedragen boodschapje? Kwam hij terug en duwde mij in handen: een kilo's wegend pak kottalos, het verse bloed droop er nog uit. Alles onhandig-hartelijk van hem. Ik had hem daarjuist van mijn armoed verteld. Zei: "Zo heb je iets te eten..." J en ik hebben er inderdaad drie dagen van gegeten. Daar komt Petrina met een cadeautje van een halve meter hoogte, met een strik erom, voor ons Anne. Daar bleek, bij uitpakking een pop in te zitten, voorzien van "slaapogen" en "ècht haar", plus jurkje en pyjamaatje en regenjasje en dat soort gekut, waar ons Anne zich te barsten van schrok, zo ondroombaar prachtig bleek deze werkelijkheid te zijn. Er waren ook haarknijpertjes bij, waarmee je pops ragebolhaar in krulletjes kon zetten, en een soortement sjampoo was er bij, waarmee je pops krulletjes ook weer kon verragebollen. Nou, geef ons Anne, als je het haar zou vragen, maar liever een levend paard of zo, en sporen aan haar laarzen en een lasso... Hoe hartelijk allemaal, van de Weverberghs, heus, er was ook parfum voor Josefien, en ik kreeg een boek waarvan Julien wist dat ik het ècht graag wou. Alles aandoenlijk lief en zo dat je ogen er warm van werden. Maar Julien zelf, in dat H van hem, heeft niks te vertellen en is in alles afhankelijk van Wimha Zeu. Als ik hem = Julien geld vraag, waarmee ik zelf kotalossen zou kunnen kopen, is hij verplicht, natuurlijk met de dood in zijn ziel, zich zogenaamd achter "zakelijke" argumenten te verschansen: "het geld is er niet uitgekomen" (nee, dank u de koekoek!); "de verkoop stelt teleur" (alsof ik , de auteur, daar iets aan kan doen: hij moet toch voor de verkoop zorgen!); ik heb al een voorschot gehad (zoals te doen gebruikelijk is bij ondertekening van het contract); ik behoor niet tot zijn "fonds". Vooral dat laatste windt mij zo op, dat ik er op mijn kale kop poppekrulletjes van voel krijgen.'
wordt vervolgd