Een cocktail van culturen

Het is altijd vreemd 's nachts een stadje binnen te rijden, zeker een bergstadje. Je weet niet wat je 's ochtends kunt verwachten.

Dat was niet anders toen ik vorige week met een kleine groep reisgezellen van het eerlijkehandelskeurmerk Max Havelaar het Noord-Peruaanse bergstadje Montero binnenreed. Het had wat van The Wild Bunch: een western van de Amerikaanse geweldregisseur Sam Peckinpah waarin een zootje ongeregeld te paard van stadje naar stadje zwerft.

Ook in Montero sloegen deuren in de wind, zaten er gieren op daken en slopen honden schichtig weg als ze mensen zagen.

Maar 's ochtends werd ik om zes uur gewekt door een mannenstem die via een luidspreker een andere stadsbewoner opriep om zich vijf minuten later te melden, want er was telefoon voor hem. Ik stond op en keek uit het raam, en zag een dorp in plaats van een stadje, en grote losse golfplaten op de daken, vastgelegd met stukken rots, tegen regen en wind. In de hoofdstraat lagen koffiebonen te drogen.

De realiteit is meestal een stuk prozaïscher dan de reis die je in je hoofd maakt. Gelukkig herinner je je later vooral de reis in je hoofd, eerder dan de banaliteit van de realiteit.

In Restaurant Paucar waar we steevast gingen eten, van ontbijt tot avondmaal, omdat het het enige presentabele restaurant in de stad was, werd er gewerkt terwijl je erbij zat, en dat niet alleen in de keuken. Overal staken ijzeren staven uit onafgewerkte stukken gewapend beton, tot grote vreugde van spinnen die er stevige webben aan konden hangen. De gieren zaten in de tuin in het keukenafval te scharrelen. Koffie stond er als een koude, vinaigrette-achtige substantie in een kruikje op tafel. Je moest er wat van in je kop gieten en er vervolgens heet water aan toevoegen.

Het eten was best te pruimen, hoewel ons reisgezelschap er een afvallingskoers begon en de collega's één voor één zware darmproblemen kregen. De betere visrestaurants in de grote Peruaanse steden zagen er trouwens allemaal als vestigingen van MacDonalds uit, wat geen afbreuk deed aan de kwaliteit van wat ze serveerden. Er is gewoon minder aandacht voor het kader dan bij ons.

De uitbater van Restaurant Paucar, wiens moeder de keuken deed, geleek als twee druppels water op de uitbater van café-restaurant De Maat in Mol - dat heb je overal in den vreemde, dat je mensen ziet die een kopie zijn van personen uit je omgeving, maar met een andere tint. Zelfs op reis koppel je wat je ziet automatisch terug naar het referentiekader van bij je thuis. (Deze week zag ik op een vergadering trouwens een man, waarvan ik dacht dat ik hem kende, tot ik besefte dat hij een dubbel was van de president uit de laatste reeks van de tv-serie 24. Heel grappig, hoe televisie zo belangrijk kan worden dat zijn personages interfereren met je dagelijkse leven.)

Restaurant Paucar

Ik kocht in Montero in het winkeltje van het gasthuis waar we logeerden, een kitcherig kleedje voor mijn dochter, als souvenir. Ik hoop dat ze het meer dan één keer zal dragen. Het was onwaarschijnlijk welke rommel er was opgestapeld. Een supermarkt bijeengeperst in een dorpswinkeltje. De heer des huizes moest steevast zijn vrouw mobiliseren om iets te vinden en de prijs te bepalen ('t was het equivalent van 8 euro voor mijn kleedje). Alleen de flessen zelfgestookte sterkedrank wist hij staan. Ook dat is zo herkenbaar: vrouwen die vanuit de schaduw van hun man de boel runnen. Ander decor, zelfde verhaal.

Het gekanker over de stijging van de broodprijs: nog zoiets dat van alle tijden en van alle plaatsen is. Peru ontsnapt niet aan het effect van het groeiende succes van biologische brandstoffen op de overlevingsmiddelen van de gewone mens.

Reizen leert dat mensen in feite overal hetzelfde zijn. De schooljongens die hun voetbalmatch in Montero verloren hadden, gebruikten hetzelfde argument als verliezende schooljongens bij ons: dat er in de winnende ploeg grotere jongens hadden gezeten. Een geruststellende gedachte. Wij zijn niet beter dan de rest omdat we het geluk hebben gehad in België te zijn geboren, en niet in het noorden van Peru. Of, erger nog, in het oosten van Congo of het westen van Soedan. We zijn hetzelfde, maar we hebben andere mogelijkheden gekregen.

En we beïnvloeden elkaar. De chauffeur van de stevige pick-up waarin we reisden, had de neiging altijd hetzelfde soort plaatjes te spelen, met hoorbaar - en dus overdreven - emotioneel gebrachte versies van Abba en The Beatles en andere succesnummers van bij ons in panfluitgedaante. Ik raakte er maar niet uit of ik dat nu mooi moest vinden of niet. Het gaf de lokale muziektraditie iets herkenbaars. Maar was het nog authentiek?

Een kleedje voor de kleine

Ik worstelde ook met mezelf toen ik, totaal onverwacht, de kans kreeg om echte hanengevechten bij te wonen. Het stuitte me tegen mijn dierenvriendenhart. Vroeger werd het ook bij ons veel gespeeld, ginder behoorde het nog altijd tot het lokale amusement. Ik bleef kijken, zette zelfs geld in op een haan, die prompt verloor, en zag vooral een ritueel van mannen die zich voorbereidden op de strijd van hun haan, en van mannen die na het gevecht ontgoocheld met de staart tussen de poten afdropen. 'Ik heb verloren', mompelde een stokoude boer voortdurend, omdat zijn haan het onderspit had gedolven. Het dier moest worden afgemaakt, want het had een stevige haal met het ijzeren spoor van zijn tegenstander in zijn borst gekregen.

Het deed me aan een boksmatch denken, dat hanengevecht, want de hanen hingen het grootste deel van de tijd hijgend in elkaars vleugels, uitgeput, om af en toe een oprisping van activiteit te krijgen. Het summum van haantjesgedrag, van machismo, altijd maar weer op de andere blijven inhakken, ze kunnen niet anders, ze zijn ervoor geprogrammeerd. De slimme haan die probeerde uit de arena te ontsnappen, werd gevangen en weer in de strijd gegooid. Er was geen andere uitweg dan winnen of verliezen. Zielig voor de beesten, maar legaal in het noorden van Peru.

Hanengevecht

De kip in Peru komt van ver. Ze stamt oorspronkelijk uit Noord-India, uit de regio aan de voet van de Himalaya, waar ze een territoriaal dier is, dat conflicten tot een minimum beperkt voor het afbakenen van de grenzen van zijn territorium. In het zog van de mens heeft ze de hele wereld veroverd.

Wij waren in Noord-Peru voor een bezoek aan boeren die koffie en bananen kweken aan condities voor eerlijke handel, zodat ze een betere prijs, met een gegarandeerd minimum, krijgen voor hun producten.

Koffie is een plant die stamt uit Noord-Ethiopië, zoals de ezel die in de bergen van Noord-Peru het meest voor de hand liggende transportmiddel van boeren is geworden. Geitenhoeders ontdekten de mogelijkheden van koffie toen ze zagen dat hun geiten actiever werden als ze van een koffieplant hadden gegeten. Via het Midden-Oosten raakte de plant tot in Europa, waarna koloniale mogendheden ze naar hun kolonies brachten. Peru heeft zijn koffieteelt aan de Spanjaarden (en de Jezuïten) te danken. Bananen komen oorspronkelijk, net als de kip, uit Centraal-Azië en veroverden vandaaruit de hele tropische wereld, en via de handel nadien ook de rest van de wereld.

Het heeft in feite dus weinig zin om ons druk te maken over de globalisering, over de vermenging en banalisering van culturen. Het is nooit anders geweest. De mens was vanaf het begin een zwerver, en zal dat altijd blijven, ondanks het feit dat het grootste deel van de mensen zich vandaag met een gezinnetje in een klein territorium opsluit. Het grootste deel van de handel gebeurt nu met producten die, voor ze geteelt werden, een lange zwerftocht achter de rug hadden.

De zegeningen van het behoud van het regenwoud worden soms gekoppeld aan wat het woud nog aan potentieel te cultiveren succesnummers verbergt, zoals vroeger de banaan en de koffie, die planten uit een weelderige onderbegroeiing waren. Het valt echter te vrezen dat we alles wat een wereldsucces zou kunnen zijn, al gevonden hebben, en ruimschoots aan de man hebben gebracht.

Eerlijkehandelsbananenboer

We bezochten in Noord-Peru de verenigingen APPBOSA van bananenboeren en CEPICAFE van koffieboeren, wier producten het keurmerk Max Havelaar dragen. We ontmoetten er vooral dynamische boeren, natuurlijke leidersfiguren die anderen meesleepten in een economisch avontuur dat hen allemaal een leefbaarder bestaan moet garanderen. De oude boer die de koffievereniging leidde, droeg een petje van het merk Che, met als logo de kop van de oude guerillaheld Che Guevara. Geen nostalgie naar een ver en avontuurlijk verleden, Che was gewoon een marketinginstrument geworden. Zelfs rebelleniconen zijn niet veilig voor recuperatie door handelaars.

De oude boer droeg zijn petje elke dag. Ondanks het feit dat hij meer dan zesduizend boeren leidde, was hij nog altijd een - naar onze normen - arme boer. Geen elektriciteit en geen telefoon in zijn huis. Hij had zelfs geen wagen en was, net als de meeste anderen in zijn omgeving, afhankelijk van bussen en motortaxi's voor zijn transport. Maar hij was tevreden, want dankzij de nichemarkten van eerlijkehandels- en biologische producten was zijn leven beter dan vroeger, en beter dan dat van zijn collega's die bleven wroeten zoals de écht arme boeren in de regio: van 's ochtends tot 's avonds, met het hele gezin, om nog altijd niet meer dan een armtierig bestaan te leiden. Het alternatief was honger.

Op zulke momenten besef je weer hoe goed wij het hier hebben, en maak je je weer druk om al die zielepoten bij ons die liggen te kankeren over grotendeels ingebeelde problemen, en vloek je op een politieke partij die een fictief onveiligheidsgevoel in leven houdt om een kwart van de kiezers te mobiliseren. Zouden Philip Dewinter en de zijnen koffie en bananen met het Max Havelaar-label kopen, zodat ze boeren in arme landen een leefwaardiger bestaan kunnen bieden, waardoor de kans verkleint dat die ooit naar hier zullen komen?

Hoewel. Misschien redeneren ze wel dat de armste boeren de minste kans hebben om te migreren, en dat een beetje financiële slagkracht economische migratie in de hand werkt. Waarschijnlijk doen ze zoals de meeste consumenten, en interesseert het hen geen zak wat er met de producenten van hun bananen en hun koffie gebeurt.

Toen ik deze week in Knack een mooi verhaal van collega Stijn Tormans las over Tijl van Limburg, die in 1971 een schilderij van Vermeer stal om losgeld te kunnen eisen dat naar de armen moest van wat toen Bangladesh aan het worden was, kwam de uitzichtloosheid van dit alles weer naar boven. De Tijl van toen pleegde in 1979 waarschijnlijk zelfmoord omdat hij het vele onrecht in de wereld niet verwerkt en geplaatst kreeg.

Ik kan hem begrijpen, en heb het geluk dat ik me daar beter overheen kan zetten, dat ik me gemakkelijk kan loskoppelen van de miserie van anderen die niet het geluk hebben gehad in het welvarende België te zijn geboren. Wat niet wil zeggen dat ik me niet kan ergeren aan, bijvoorbeeld, het feit dat de markt van eerlijkehandelsproducten zo langzaam groeit. De meeste mensen liggen niet wakker van het feit dat ze met een minuscuulkleine financiële inspanning (sommige eerlijkehandelsbananen zijn zelfs niet duurder meer dan het gewone aanbod) het leven van arme boeren zo kunnen veranderen dat hun kinderen niet langer op het veld moeten werken, maar naar school kunnen gaan.

Geen noemenswaardig verschil voor ons, een wereld van verschil voor de mensen ginder. Maar op zulke momenten werkt de globalisering blijkbaar niet. Dan blijft het ieder voor zich.

Van 3 tot 13 oktober is er in ons land de week van de eerlijke handel. Het volledige programma vindt u hier.
Volgende week in Knack een meer inhoudelijke analyse van de reis naar Peru.

door Dirk Draulans | | reacties | reageer hier

ongepaste reactie?


 
Zich in het kielzog van de grote Darwin begeven, is de ultieme natte droom van een evolutiebioloog. Knack-journalist Dirk Draulans doet gedurende acht maanden de reis van Darwin over met een moderne clipper met drie masten, de Stad Amsterdam. Volg hier zijn wild avontuur!