Benno Barnard

Briefjes (1)

Benno Barnard en Koenraad Goudeseune zijn penpals. Barnard citeert enkele smaakmakers uit Goedeseunes pas verschenen brievenboek 'Wat duurt op drift zijn lang'.

Onlangs verscheen bij Atlas 'Wat duurt op drift zijn lang', een tot 'roman in brieven' bewerkte verzameling mails van Koenraad Goudeseune. Veel van die teksten zijn oorspronkelijk aan mij geschreven. Hieronder heb ik enkele fragmenten van Koen en antwoorden van mijn hand gebloemleesd, ten einde de geïnteresseerde lezer een indruk te geven van een actuele, via de computer gevoerde correspondentie tussen twee schrijvers. Alle teksten dateren van 2008.


KOEN: Na een vlucht over haar lichaam en waar precies ik haar kussen wou, besloot ondergetekend varken met dit: ik druk mijn lippen ook op de binnenkant van je polsen, daar waar ik je hart voel kloppen!

BENNO: Die Koen! Prettig, zo'n verliefdheid. Ik kan het me niet meer als een geloofwaardige realiteit herinneren. Druk je lippen op alle plaatsen waar je haar hart kunt voelen kloppen - bij een beetje hartstochtelijke vrouw zou dat volgens mij ook de schaamparel moeten wezen. Ik ben: jaloers.

KOEN: Mooi zeker, je tuin bij dit weer? En daar dan sigaarrokend en met een uitstekende Bourgogne zitten genieten van het vallen van de avond, ik wens het je toe en groet je.

BENNO: Kom maar eens meezitten op mijn terras aan de taalgrens. In de verte zie je het Massif Central, en als je gaat staan de azuren schemering achter Nice. Gisteren hoorde ik, voor het eerst in jaren, een nachtegaal, waarvan de zang me op de rand van mijn larmes faciles bracht. Onlangs hoorde ik op de BBC opnamen uit de jaren dertig van deze Keatserige vogelsoort, die ergens in Surrey meejubelde met een cello. (Ik ben ook de huisbaas van de zeskoppige familie Koolmees, uit wier aanleunwoning overdag een onverzadigbaar gepiep opstijgt.)

KOEN: Verliefd? Word je na je veertigste eigenlijk nog wel verliefd? Ja, op een stoot van twintig die je toch niet kunt krijgen. Maar heus? En al die gescheiden huismoedertjes die je wel kunt krijgen en waarmee je zo verliefd mogelijk de liefde bedrijft? Na ermee gevreeën te hebben, dan pas voel ik me idioot en dan ga ik naar het rekje met boeken naast de zitbank en ontwaar daar een bibliotheekje waar ik mild naar kijk en waar ik (O, leuk!) deel van uitmaak. Naast de Daila Lama!

BENNO: Ikzelf ben dol op niet al te intellectuele, wulpse huismoedertjes - als ik Barnard aantrof naast de Lama zou ik gloeien van geluk. Op grieten van twintig val ik helemaal niet: dat gekakel, die popmuziek, heregod!

KOEN: Ik kreeg vandaag een brief van Willy Tibergien. Er verschijnt binnenkort een bloemlezing uit 60 jaar Vlaamse poëzie, tellende niet minder dan 677 gedichten van de hand van dichters en dichteressen (ja, allicht, dacht ik, maar zo staat het er). De samenstellers en inleiders zijn Van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters. Het boekwerk heet 'Hotel New Flanders'. Eén gedichtje van mijn hand, 'Ars poëtica', tegen een vergoeding van 5 euro, - of ik daar mijn toestemming voor wil verlenen?

BENNO: Sterker nog, ik sta er niet in, want ik ben geen Vlaming. Weliswaar speelt mijn gehele literatuur zich hier af, gaat een ander deel van mijn literatuur over Vlaanderen, is mijn poëzie doordrenkt van Antwerpen, Groote Oorlog enzovoorts, èn heb ik Van Bastelaere aan een Hollandse uitgever geholpen - ik, etnische Bataaf, mag niet in dat boek staan. En het is samengesteld door intellectuelen, niet door gepeupel. Zal ik een ster met H voor Hollander gaan dragen?

KOEN: Al dronken zijnde heb ik de voorbije avonden met een eerste viool uit Brugge liggen chatten.

BENNO: Met een eerste viool de vioolkist delen lijkt me geweldig. Mijn vrouw is een amateurcelliste, dat is al niet slecht (en de kist is groter).

KOEN: In Date-wereld heeft zich vanavond een in Brussel wonende Hongaarse schone aangediend, 39 jaar, kinderloos. In het vragenlijstje heeft ze bij kinderwens misschien ingevuld. Ik kreeg een hartje toegestuurd.

BENNO: Hongaren! Een krijgszuchtig ruitervolk. Tegenstrijdig genoeg ook de meesters van de melancholie. Grote literatuur. Met droefheid kom je verder in de kunst dan met ironie. - Net word ik gebeld dat Kamiel Vanhole dood is.

KOEN: Van je bericht over het verscheiden van Kamiel kreeg ik een dreun.

BENNO: Vandaag ben ik naar de romaanse kerk van Vossem gereden. Op het altaar lag een bril, maar van clerus geen spoor. Er klonk wel muziek, iets uit de late barok zo te horen, en ik bedacht hoe merkwaardig het was dat Kamiel en ik een heel verschillende smaak in muziek hadden - de pianoforte en de viool zijn voor mij de enige troostende voorwerpen op deze aarde, al doet een Engels kastje van walnoot, dat drie eeuwen vingerafdrukken tot een soort honinggloed heeft gesublimeerd, me ook wel iets. Dit om je nader vertrouwd te maken met mijn anachronistische smaak. Maar terug naar die kerk. Daar heb ik enige tijd aan mijn vriend zitten denken, die zich nu bij andere onbereikbaren heeft gevoegd, zoals Herman de Coninck en mijn moeder. Vervolgens heb ik dertig cent in de gleuf van een geldkist gestopt en een kaars aangestoken, en met het gebogen hoofd van de zondaar het Onze Vader en The Lord's Prayer opgezegd, een van de zeer weinige gedichten die ik uit mijn hoofd ken, en dan nog wel in twee talen. Ik denk dat Kamiel - we hadden het weleens over de onmogelijkheid en onmisbaarheid van het ritueel - deze kleine anglicaanse handeling wel gewaardeerd heeft.

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Boeken die Guy Mortier leuk zou vinden (als hij las)

'Er rot iets in de republiek der letteren.' Benno Barnard hoorde wie De Gouden Humo-Uil dit jaar zou kunnen krijgen en ziet ze vliegen als hij aan juryvoorzitter Guy Mortier denkt.


Er rot iets in de republiek der letteren: dat heeft mijn geestelijke vaderland gemeen met het Denemarken van prins Hamlet. Er is sprake van een systematische belangenverstrengeling tussen partijen en personen rondom het weekblad Humo, met als inzet de Gouden Uil. Dat beest is een met bladgoud overtrokken stuk boerenbedrog. Ik zal u uitleggen waarom.

Waarvoor staat voornoemd weekblad? Voor de eigentijdse cultuur van niet al te ingewikkelde jonge mensen. Bij die sociologische groep behoort een bepaald stelsel van overtuigingen, ontworpen in de late jaren zestig en in de loop van de jaren negentig van rood naar paars verkleurd. De volgelingen knielen voor het altaar van hun eigen maakbaarheid, waarop de metropoliet van dit bijgeloof, Guy Mortier, de valse lichtjes van de entertainmentindustrie heeft ontstoken. Deze gelovigen, gevormd als ze zijn door de filosofie van hun parochieblad, zullen beslist niet van het voorgeschreven groepsgedrag afwijken; en verblind door de schittering van alle flauwekul die ze wekelijks krijgen opgedist, zullen ze niet inzien dat hun individualiteit uit weinig anders bestaat dan de bevrediging van aangeprate behoeften.

Bij de merkwaardige paradox van een dominante subcultuur behoort, behalve een bepaald soort muziek en een bepaald soort film, ook een bepaald soort literatuur. Dat soort literatuur vinden we jaarlijks terug op de lijst van boeken die voor de Gouden Uil in aanmerking komen. Daar zitten altijd wel een paar goede boeken bij, want hoewel Humo er alles aan doet om zijn lezers precies op dat ontwikkelingspeil te houden waarop de illusie van de autonome smaak en het zelfstandige oordeel niet wordt aangetast, zijn natuurlijk niet alle juryleden uit de redactie van Humo afkomstig. Ik sluit zelfs de mogelijkheid niet uit dat een redactielid - hoewel zelf het product van de voorbije veertig jaar - een goed boek goed vindt.

In de jury van de Gouden Uil zetelen dit jaar behalve Mortier zelf, verrassend genoeg voorzitter, ook Sam De Graeve en Jeroen Maris, redacteurs van Humo. Jeroen Vullings moet de aandacht afleiden van het dogmatische karakter van de samenstelling: hij speelt de rol die een paar christen-democraten eertijds in het Oost-Duitse parlement mochten vervullen.

Dit eminente gezelschap zal de prijs aan een boek geven dat netjes binnen de afgebakende criteria blijft, dat keurig in de grote groef van de voorspelbaarheid schiet, en dat bij voorkeur door een medewerker van Humo is geschreven. En kijk eens, die grappige, o zo correcte Tom Lanoye heeft precies het soort boek geschreven waar ze dol op zijn bij Humo! Feilloos accorderend met de tijdgeest, vol grapjes, maar tegen een fond van menselijk tekort... in de stijl van Lanoye kortom, want de criteria zijn tautologisch. Een boek, met andere woorden, dat precies in het hoofd van Guy Mortier past.

Wat heeft Guy Mortier in godsnaam met literatuur te maken? De enige schrijver die hij ooit oprecht heeft bewonderd, was Godfried Bomans, onvermoeibaar door hem geïmiteerd in de periode waarin hij zelf een pen hanteerde, wat net lang genoeg duurde om een ongeneeslijke vorm van obsessief-compulsieve leukheidsdwang op te doen. Het denken van Mortier laat zich als volgt samenvatten: God is dood en alles is leuk, hoewel misschien een beetje tragisch. Lanoye is leuk . Van Kooten is leuk . Komrij is leuk . Grunberg is leuk , vooral als hij met modder gooit naar Stefan Hertmans of Benno Barnard of zo iemand. Enfin, ik weet niet wie er momenteel allemaal columns in Humo vullen, maar leuk zijn ze ongetwijfeld.

Humo is de met klatergoud, banaliteit en modderkuilen bezaaide omweg die ons van het kapitalisme naar het kapitalisme heeft gevoerd. In de salon waar Humo links zit te wezen, barst het van de miljonairs, Guy Mortier voorop.

Nu zal ik u uitleggen waarom u, in tegenstelling tot vroeger, nooit een boek van mijn hand bij de Gouden Uil zult aantreffen. Ik ben namelijk een afvallige van de in Humo verkondigde heilsleer. Lang geleden drukte ik me, onder invloed van Herman de Coninck, ooit journalist bij Humo, nog correct uit. Ik zei niet zozeer wat ik meende als wel datgene waarvan ik wist dat ze het in onze kringen graag hoorden. Daarvoor beloonde Humo mij met een interview, een nominatie, een uitnodiging voor een feestje, het verzoek om een tekst... Dat laatste wrong natuurlijk. Niets van wat ik schrijf past bij de in Humo gepredikte superstitie.

Op een goeie dag had ik dan ook genoeg van mijn eigen oneerlijkheid, een oneerlijkheid waarin ik overigens bepaald niet alleen stond, want in de literaire wereld was iedereen beducht voor de macht van Mortier. Op die dag vergeleek ik Mortier met een bekend staatshoofd uit de Karpaten, aan wie geniale trekken werden toegedicht. Op dat moment was Mortier al een jaar of wat aan het aftreden als hoofdredacteur, zonder ooit werkelijk op te hoepelen. Zo promoveerde ik mijzelf dus tot persona non grata .

Inmiddels is de longlist van kandidaten voor de jongste Gouden Uil bekendgemaakt. Daarop prijkt, behalve dat boek van Lanoye, een verzameling columns van Arnon Grunberg, die eerder in Humo zijn gepubliceerd. Ik kan u niet zeggen hoe verbaasd ik was dat te vernemen.


door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een bedroefde emigrant (slot)

'Goeie help, wat dreef ik daar aan de overkant van de oceaan in mijn eigen zieligheid rond!' Laatste fragmenten uit de correspondentie tussen Jeroen Brouwers en Benno Barnard toen deze laatste in Amerika verbleef.

De meeste brieven van Jeroen in de Achterhoek aan Benno in Texas bestaan uit twee aan weerszijden met de hand beschreven vellen gelinieerd papier. Twee brieven zijn op een schrijfmachine vervaardigd; de tweede, gedateerd 20 januari 1988, begint aldus:

'Kom, laat ik je eens wat tikken. Dierbare Benno, zo kwam je mij dus op 15 jongst te bijna middernacht te bellen en belde ik jou terug te middernacht in Exel maar ten jouwent op plusminus 17.00 uur. Ik was ontroerd, al zeg ik erbij: ik was vóór ik ontroerd werd al stommelend dronken. Wàt je me zei, van over de oceanen, over mijn Belgiëboekske, heb ik niet gevat, - ik geloof, je zei, je vond het wel mooi en zo, maar er zou geen hond ter aardbol wezen die van mijn intentie zou kennis nemen, laat staan er iets van snappen, klopt dit, meester? Mijn ontroering gold dan ook jou , je stem, 'Hallo? Bandoeng?' -dat je daar opeens weer was in mijn oor.'

Sommige brieven bevatten knipsels: een spotprent van Siegfried Woldhek, voorstellende de polemicus Brouwers, een snipper krant over de AKO-prijs 1988 (ik zal waarschijnlijk geklaagd hebben dat ik niet tot de zes genomineerden behoorde, ook al ging dat gerucht, zo lees ik in een andere brief - ik ben er inmiddels overheen), een ingezonden brief van Engeltje Mantel uit Vrij Nederland ... De uitgeefster verklaart dat ik me in een stuk in datzelfde blad vergist heb inzake het jaar van verkoop van Du Perrons kasteel in Chaumont-Gistoux, ten zuiden van Brussel: dat was in 1933 voor 175.000 frank van de hand gedaan (het equivalent van 4.375 euro). Mijn allereerste (in Maatstaf) gepubliceerde prozatekst beschrijft een bezoek aan dat kasteel, op een boogscheut waarvan ik tegenwoordig woon, gerieflijk maar toch niet zo ruim als Eddy. (Maar wat weet ik ook van kastelen? Knekelhuizen daarentegen...)

Zo zat ik dus in het mij allengs gallischer stemmende Austin te corresponderen en te wachten tot mijn vrouw was uitgestudeerd en ik eindelijk weer naar Antwerpen en Europa terug mocht. Op den duur irriteerde alles me, de staat, de stad, de hitte, de vochtigheid, de airconditioning, het Engels, de campus, de blonde meisjes met hun strikjes, mijn schrijfimpasse, de doodstraf en George Bush senior. En het stomme gesjirp van de krekels: dat werkte me al vanaf de eerste dag op het fragiele dichtersgemoed, alsof die krengen in mijn zenuwstelsel zaten te plokken - al in mijn allereerste brief moet ik over die muzak hebben geklaagd, want al in zijn allereerste brief, van 22 september 1987, schrijft Jeroen (na wat kanttekeningen bij een zoek geraakte, maar blijkbaar positieve recensie van Maarten 't Hart over 'Uitgesteld paradijs'):

'Ik, toen ik mij in mijn Achterhoek vestigde, zó jong nog, werd GEK van eenzaamheid, maar dat was ik al begonnen te worden in de laatste van mijn Vlaamse jaren. Jij: "Buiten beginnen de cicaden te sjirpen." Ach jongen toch! Cicaden krekels, heimpjes, - ik ken dat allemaal. Als dat tuig op hare viooltjes begint te blazen en je gaat in je treurigheid daarnaar zitten luisteren , klinkt hun geluid weldra als de dreunende klappen op een pauk.'

Er zou niets dan treurigheid volgen. Goeie help, wat dreef ik daar aan de overkant van de oceaan in mijn eigen zieligheid rond!

Al bladerend en lezend in dat pak brieven word ik weer net zo somber als toen. Bij de herinneringen aan die ellendige executiestaat voegt zich het soort hopeloze weemoed om mijn temps perdu : ik word nooit meer drieëndertig, ik kan nooit meer emigreren naar Amerika en vervolgens terug naar België. Nooit meer zal iemand op 8 april 1988 iets opschrijven dat mij een week later, aan de overkant van de eeuwig deinende wereldzee, ondanks mijzelf aan het schateren brengt:

'Jij (net als ik) kan alleen over jezèlf schrijven. Ikzelf maak nooit meer iets mee; toen ik jouw leeftijd had ging ik te Exel in het klooster en ben daar goed bekeken nooit meer uitgekomen. Daarvóór Véél MeeGeMaakt had ik eigenlijk ook niet, - nooit een uitslaande brand in het hotel waar ik toevallig eens logeerde en waar ik mezelf op wonderbaarlijk te noemen wijze uit redde. Jij? (Wel ben ik eens met Weverbergh, in zijn auto, ik aan het stuur, niet eens dronken, zó ( hier staat een pijltje gevolgd door een kringel, BB ) over de kop gevlogen om daarna op des autoos kop in de berm tot stilstand te komen. Weverbergh, wel dronken, zat te slapen en bleef ondersteboven gewoon doorslapen. Verder geen schrammetje, hij niet, ik niet. En met die auto zijn we daarna nog thuisgekomen ook... Ochoch, nou! Ik noem dat niet echt: "iets meemaken"...)

Dat staat in de laatste brief van Exel naar Texas, zoals door het Letterenhuis voor mij gekopieerd.

Ook staat daarin:

'Kom, ik ga door aan mijn zondenvloed, heden bereik ik blz. 563 (schriftblaadjesformaat), - dat ellendige langdradige kreng, dat allicht geen hond of hondevlo zal lezen, moet nu maar eens àf.'

En ook:

'Je moet mij melden dat / of / wanneer je mijn postpakket hebt ontvangen. Hier bij ons in de Achterhoek raakt het postpersoneel al van streek als je met een pakje voor Apeldoorn aankomt; Vlaanderen ligt voor dat personeel ergens ter hoogte van de noordpool, en Texas waarschijnlijk achter de maan. Wat of er in dat pakket zat, toch geen druks of schietgeweren of bederfelijke eetwaar of pornografie? En zat er soms een brief bij? Dat wordt allemaal door de douane gecontroléérd, hoor meneer! Ik, met mijn autoriteitenangst werd er helemaal zenuwachtig van. (...) Ik zei: nee hoor, daar zit een theeservies in...'


door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een bedroefde emigrant (3)

Over hoe Benno Barnards grote, Amerikaanse geliefde in Jeroen Brouwers' roman 'De zondvloed' terecht kwam. Uit de brieven van Brouwers aan Barnard toen deze laatste in Amerika verbleef.

Van november 1984 tot de zomer van 1986 was ik als eindredacteur in dienst van Julien Weverbergh, toentertijd nog de uitgeefbaas van Manteau in Antwerpen (voorheen Brussel). Die Weverbergh was voor mij een kottalosgeworden stuk literatuurgeschiedenis: de boezemvriend van Jeroen Brouwers in zijn Brusselse dagen, met wie de schrijver later dermate gebrouilleerd was geraakt, dat hij schuimbekkende polemieken tegen hem publiceerde, die zeer tot mijn stilistische vorming zouden bijdragen...

De precieze chronologie van het ontstaan van uitgeverij H en het ontslag van Weverbergh bij Manteau herinner ik me niet; wel zie ik nog de persoonlijke interventie van Angèle Manteau voor me. Via haar tot in het Brussel van het interbellum terugkrommende levensloop voelde ik me met Eddy du Perron verbonden, maar dat weerhield me er niet van tegen de weduwe te zeggen dat haar uitgeverij naar mijn mening 'een knekelhuis' was. Deze vrijmoedigheid zou mijn ontslag, in het kielzog van dat van Weverbergh, aanzienlijk bespoedigen... Maar belangrijker is dat ik Weverbergh in het voorjaar van 1985 voorstelde Jeroen Brouwers om een monografie over de door hem en mij bewonderde Herman Teirlinck te vragen. Daar had de grote prozaïst volstrekt geen zin in, maar zo begon onze correspondentie.

Op een dag - de dag waarnaar Brouwers in het citaat in de vorige aflevering verwijst - ben ik samen met Weverbergh en de kunstschilder Jan Vanriet, die omslagen voor Manteau vervaardigde, naar de Achterhoek gereden. Niet alleen ontmoette ik Brouwers toen voor het eerst, het was ook de eerste keer sinds de polemieken dat Weverbergh en Brouwers elkaar weer in de ogen keken.

Het resultaat van dat bezoek was dus het voorstel om uit de brieven van Brouwers een groot boek samen te stellen. De eindredactie ervan zou ik verzorgen. Zo begonnen mijn bezoeken aan hem. Ik moet zeggen: het was de enige keer in mijn leven dat ik van dat roeren in andermans soep genoten heb. 'Tiz al goe, Benno,' zei Jeroen wanneer ik weer eens een stoutmoedig voorstel deed om een bepaalde passage te schrappen, een integrale brief te negeren, de spelling toch enigszins te conformeren aan de regels, et cetera. Soms lagen we samen op de grond bij hem thuis in Exel te knippen en te plakken. Ook in dit herinneringsstuk verknip ik brieven van hem en plak de stukken aan elkaar; en hier en nu welt er bij de gedachte aan die periode een warmte in mijn ogen op. De redactionele arbeid was als het ware de mal van onze vriendschap: ik werd de 'literaire gezel' van de meester die aan 'De zondvloed 'zat te scheppen.

Aangezien alles wel iets anders aanraakt, is het niet zo merkwaardig dat ik op 'De zondvloed' een miniem beetje invloed heb gehad. Dat ging zo. Mijn Newyorkse vrouw Deanne (door mij in literaire teksten Joy genoemd) werkte naast haar studie als model. In juni 1987 was zij al vooruitgereisd naar Austin, ik miste haar deerlijk - en in een toestand van verlangen, vervreemding en beginnende mythologisering liet ik Jeroen enkele van haar modellenfoto's zien. We zaten op een bankje in zijn tuin; hij bekeek de foto's en vroeg vervolgens al grappend om hulp bij het verzinnen van het uiterlijk en de kleding van zijn vrouwelijke hoofdpersoon. En bij deze arbeid lieten we ons als vanzelf inspireren door de foto's van mijn vrouw, die haar lichaam in effigie verkocht.

'Volgens mij draagt ze een skibroek, Jeroen.'

'En waarom geen badpak? Draagt Deanne soms geen badpak?'

'Dat is kitscherig in een roman.'

'Wat weet jij nou van romannen schrijven, snotneus?' Hij stak grijnzend een sigaret op.

'Wees blij dat ik ze lees. Het blijft toch een genre voor ontluikende kostschoolmeisjes.'

'Wat weet jij nou van kostscholen?' Hij zoog zich vol Caballero.

'Heel veel. Uit romannen.'

Deze flauwekul, zo kenmerkend voor taalverliefden, heb ik toen in mijn dagboek genoteerd. Ja, we lachten en hoestten heel wat af samen.

Twee jaar later, op 9 maart 1988, zou het gezamenlijk bedenken en aankleden van zijn heldin de navolgende zinnen opleveren:

'Dierbare Benno, vannacht droomde ik dat ik met Deanne danste, dwz zij danste met mij. Ikzelf dans principieel nooit , maar bevond mij in mijn droom roerloos, rechtop staande, op een soort dansvloer en Deanne dwarrelde om mij heen. (...) Terwijl jij mijn zondvloedmeisje mede-ontwierp had jij maar één meisje op het netvlies, je tot mythische uitstraling vergoddelijkte Deanne, ach, weet je nog, en op mijn netvlies dreef P.E.I. al van mij weg. Nu "ken" ik Deanne niet. Alles wat ik weet, is, dat zij aan jou zei, nadat zij in dat café met haar vingernageltje op het tafelblad had getikt zodat de zitting werd opgeheven en iedereen naar huis ging, en Brouwers eenzaam en ontheemd naar zijn hotelkamer, dat ik toch zeker "een kilo of twintig" moest kwijtraken om er "wat minder oud" uit te zien. In de zondvloed zegt "het meisje" tegen de hoofdprotagonist: ik vind je aardig, maar je stinkt zo... Wil je even tegen Deanne zeggen dat ik thans net zoveel weeg als jij? (...)'

In het vervolg van de brief staat voorts nog een opmerking die me herinnert aan het als een vallende ster verstrijken van van ruim twintig jaar wereldpolitiek:

'Intussen was het daar bij gijlie "Super Tuesday". Mijn sympathie gaat uit naar die zwarte dominee, Jesse Jackson, - maar ongetwijfeld zal de nieuwe president van de VS die Bush wel worden, die heeft er precies de schijnheilige kop voor.'

George Bush versus de potentiële eerste zwarte president. Een Texaan zei tegen me: 'This is a great country. Just gotta keep the nigger outa the White House,' wat met die temerige zuidelijke tongval extra smerig klonk. Vadertje Bush! Wisten wij veel dat we ooit nog een besmuikt heimwee naar de verwekker zouden koesteren, toen het afval van zijn lendenen het roer had overgenomen. En hoe hadden we in 1988 kunnen voorzien dat het wiel van de tijd in ons eigen vermoeide werelddeel het jaar daarop een beslissende omwenteling zou maken?

Wordt vervolgd

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een bedroefde emigrant (2)

'Ik zit in diepediepe Geld Nood.' Brieven van Jeroen Brouwers aan Benno Barnard toen deze laatste in Amerika verbleef.

Het pak brieven van Jeroen Brouwers aan mijn vroegere zelf omvat 65 pagina's, verdeeld over achttien (18) zendingen. De eerste brief dateert van 22 september 1987, de laatste van 8 april 1988. Al deze brieven zijn tamelijk lang, met uitzondering van een aan één zijde beschreven vel ('Exel, 13.XII.1987') dat klaarblijkelijk een Kerstcadeau in de vorm van tabak begeleidde: 'Benno, is dit de Drum die je verlangt en die daarginds niet te koop is? Zo niet, gooi de troep dan maar weg.' Volgt een anekdote over de 'strontvervelende' uitreiking van de prijzen der Jan Campertstichting: 'Mijn troost bestond er uit dat ik de dames van het fluitconcertorkest, die met hun vieren waren, goed kon zien, en vooral het meisje dat de cello bestreek rechtstreeks tussen haar dijen kon kijken.'

Ik schoot bij deze zin hardop in de lach, net zoals ongetwijfeld in december 1987 - ook de andere brieven verschaften me bij herlezing veel melancholiek jolijt. Ze waren zo te zien merendeels bedoeld om mij wat afleiding te verschaffen, met verhalen over het letterkundige leven in de Lage Landen, hier een grapje, daar een huiselijk tafereeltje, ginds een echo van iets wat ik hem over het leven in dat oervervelende Austin geschreven had, elders een vermaning of een kreet ter aanmoediging; en door dit geheel slingert een guirlande van zuchten en fluisteringen over een verliefdheid op een zekere "P.E.I.", want geheel weemoedloos was het leven in Europa ook niet (die naam was een afkorting van het bij Canada behorende Prince Edward Island, waarheen de geliefde weldra zou emigreren).

De afzender heeft net 'Sire, er zijn geen Belgen voltooid' en ontvangt veel fanmail in reactie op zijn in twee delen verschenen 'Kroniek van een karakter' - over de 'receptie' van dat boek gaat het ook in enkele andere brieven. Zo eindigt het kleinood dat bij de tabakszending hoorde: 'Dag! Dakik paas dagge nu iet te smoren hebt onder uwen kerstden.'(Dialect is nooit Jeroens sterkste punt geweest.)

De langste brief - 'Exel, 3.XI.1987' - telt zes dichtbeschreven kantjes in een priegelhandschrift en culmineert in een tekening van 'ons beminde klerenjong' Anne, toen een jaar of zeven, die mij 'groetjes' zendt, benevens een lieveheersbeestje en enige blommetjes. Het epistel begint aldus: 'Dierbare Benno, nu eerst een brief aan jou. Het motto voor onze overpeinzing van vandaag nemen wij uit Ecclesiasticus XXIII: "...is als een brandend vuur, / dat niet wordt gebluscht, eer het verslonden heeft."'

Volgt een beschrijving van een bezoek aan het 'Prompand' in Baarn: 'om daar mijn Kroniek 2, van stichtelijke opdrachten voorzien, aan alle in die Kroniek voorkomende correspondenten te doen afzenden. (...) Van Wimha Zeu, die wel een góeie vent is hoor, kreeg ik vele Prom-, Hadewych-, Ambo- en nog andere boekwerken cadeau. Daaronder de bundel 'Ter gedachtenis' van Guillaume van der Graft. "God is een geriefelijk rijm," las ik, toen ik, in het kantoor Zeu nog, het boekje kreeg overreikt en het op een willekeurige plaats even open sloeg. Deze regel hangt nog steeds in mijn kop.'

Verderop komt de legendarische Julien Weverbergh ter sprake, bij wie de twee delen van het grote brievenboek waren verschenen, in een paraplugewijs met de Prom verknoopte editie:

'Julien, - ik zeg dit over hem met "kritische liefde" of zoiets, met loyauteit met hem, welke toch al danig door saggenrijn is aangevreten, met "begrip" voor hem, met warmte en ook weemoedigheid die komt als davond valt, en schud het allemaal maar uit verschillende flessen in één glas, jij weet wel dat ik het goed met hem meen, - Julien dus, is echt een ZAK. Ik zit in diepediepe Geld Nood. Ik vraag Julien: betaal mij, als zulks kan, nu metéén, mijn honoraria voor de verkoop van de delen I en II van mijn Kronieken, en laat mij daar niet tot volgend jaar mei of juni op wachten, ik behoef dat geld nu , want ik sterf bekanst van de Nood Druft. Schrijft hij mij terug: nee, dat kan niet. Argumenten: er is allerlei geld in de zéér dure produktie van die Kronieken gestoken "dat er niet is uitgekomen". De verkoop stelt teleur. Ik heb al zeer vorstelijke voorschotten gehad. Hij, Julien de uitgever, kan geen "uitzondering" voor mij maken, want ik behoor niet tot zijn "fondsauteurs". Vatjenem, Benno? Jij en Jan Vanriet zaten er zelf bij, die dag, dat hij in Louwhoek de drie, vier ordners met mijn brieven kwam halen. (...) Toen ik laatst in Antwerpen was en naast hem in zijn auto zat, zette hij de kar opeens naast de stoeprand neer. Hij stapte uit en verdween in een slagerswinkel. Zeker even een hem door Petrina opgedragen boodschapje? Kwam hij terug en duwde mij in handen: een kilo's wegend pak kottalos, het verse bloed droop er nog uit. Alles onhandig-hartelijk van hem. Ik had hem daarjuist van mijn armoed verteld. Zei: "Zo heb je iets te eten..." J en ik hebben er inderdaad drie dagen van gegeten. Daar komt Petrina met een cadeautje van een halve meter hoogte, met een strik erom, voor ons Anne. Daar bleek, bij uitpakking een pop in te zitten, voorzien van "slaapogen" en "ècht haar", plus jurkje en pyjamaatje en regenjasje en dat soort gekut, waar ons Anne zich te barsten van schrok, zo ondroombaar prachtig bleek deze werkelijkheid te zijn. Er waren ook haarknijpertjes bij, waarmee je pops ragebolhaar in krulletjes kon zetten, en een soortement sjampoo was er bij, waarmee je pops krulletjes ook weer kon verragebollen. Nou, geef ons Anne, als je het haar zou vragen, maar liever een levend paard of zo, en sporen aan haar laarzen en een lasso... Hoe hartelijk allemaal, van de Weverberghs, heus, er was ook parfum voor Josefien, en ik kreeg een boek waarvan Julien wist dat ik het ècht graag wou. Alles aandoenlijk lief en zo dat je ogen er warm van werden. Maar Julien zelf, in dat H van hem, heeft niks te vertellen en is in alles afhankelijk van Wimha Zeu. Als ik hem = Julien geld vraag, waarmee ik zelf kotalossen zou kunnen kopen, is hij verplicht, natuurlijk met de dood in zijn ziel, zich zogenaamd achter "zakelijke" argumenten te verschansen: "het geld is er niet uitgekomen" (nee, dank u de koekoek!); "de verkoop stelt teleur" (alsof ik , de auteur, daar iets aan kan doen: hij moet toch voor de verkoop zorgen!); ik heb al een voorschot gehad (zoals te doen gebruikelijk is bij ondertekening van het contract); ik behoor niet tot zijn "fonds". Vooral dat laatste windt mij zo op, dat ik er op mijn kale kop poppekrulletjes van voel krijgen.'

wordt vervolgd





door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Een bedroefde emigrant (1)

In april wordt Jeroen Brouwers 70. Benno Barnard over de brieven van Brouwers aan hemzelf toen hij in de Texaanse woestenij vegeteerde als 'een anachoreet op een zuil van zelfbeklag'.

De periode die zich uitstrekte van eind september 1987 tot eind mei 1988 heb ik, nu ik er over een kloof van ruim twintig jaar op terugkijk, met enige overgave aan de verveling en het ongelukkig zijn gewijd; ja, ik overdrijf niet wanneer ik beweer dat ik nooit mismoediger ben geweest dan in die verloren tijd.

Acht maanden lang was ik in Austin, de hoofdstad van Texas, als gastschrijver verbonden aan de universiteit, in het kader van een door het Nederlandse Fonds voor de Letteren bestierd programma. Ik geloof dat het bewuste programma inmiddels is opgeheven, maar ik vraag me nog altijd af wat dat Fonds erbij voor ogen heeft gestaan, want er is bij mijn weten geen enkel boek uit voortgekomen dat zich in Austin of een van de overige participerende universiteitssteden afspeelt. Wel schiet me nu te binnen dat Thomas Rosenboom in hetzelfde academisch jaar in Ann Arbor werd gearresteerd op beschuldiging van handtastelijkheden, door een feministe wier lijk hem nog had kunnen verpletteren.

Waarom voelde ik me zo ongelukkig? Ik was amper de dertig gepasseerd en ik had een beeldschone vrouw. Het lesgeven over Nederlandse literatuur vergde geen buitensporige inspanning van me: ik beschikte over zeeën van tijd om rond te reizen, te lezen, naar de film te gaan, in de kroeg te zitten en te schrijven. Maar ik gedroeg me als een ezel op een bergpad: een licht exotisch geluk wenkte en ik weigerde ook maar een stap in de richting van die top te zetten.

Ik had bovenal een afkeer van dat hele Texas. Het weidse, romantische landschap met paarden en cowboys uit mijn fantasie bleek een stoffige vlakte te zijn. Het was er warm en vochtig. We huurden een bungalow in een golvende laan met veel pompeuze villa's: al onze buren waren welgestelde blanke puriteinen van middelbare leeftijd, Dorische zuilen stutten hun veranda, in hun gemanicuurde tuin drentelde 's nachts een protestantse waakhond rond. Nooit zijn we in die acht maanden door een van onze buren zelfs maar aangesproken, laat staan op de koffie genodigd.

De binnenstad bestond uit vijfentwintig genummerde straten vol kantoorgebouwen. Een kleine wijk daarbinnen werd geroemd om zijn muziekcafés, maar de aldaar aan het lichtnet ontlokte klanken maakten iedere conversatie onmogelijk.

Op de campus wandelden erg veel blonde meisjes rond, netjes opgespoten voor ze hun poppenhuis hadden verlaten, voorzien van een strik op de plaats waar zich het litteken van hun lobotomie bevond. Soms zat ik in een café nabij de universiteit - Les Amis, zonder ironie door de volksmond 'Lazy Me' genoemd - Antwerpen en meer in het algemeen Europa te missen. Ik probeerde met deze of gene een praatje aan te knopen. Gewoonlijk moest ik uitleggen dat België niet in Roemenië lag. Ik slaagde er niet in vrienden te maken, wat merkwaardig mocht heten, want zeker in die tijd was ik een sociaal man. Mijn vrouw zat aan haar proefschrift te werken en had nauwelijks tijd voor me.

Ik zonk weg in een soort lethargie.

Ik citeerde Gertrude Stein over Texas: 'There is no there there.'

Ik wachtte op de recensies van mijn prozadebuut 'Uitgesteld paradijs', dat in Privé-Domein was verschenen en waar ik zo trots op was.

Schrijven deed ik niet.

Dat laatste is niet helemaal waar. Ik schreef wel, maar mijn schrijven was corresponderen, op vellen luchtpostpapier. Midden in die woestijn van vrije tijd zat ik als een anachoreet op mijn zuil van zelfbeklag en gooide vliegtuigjes de lucht in. Ik heb in dat korte jaar zeker driehonderd brieven geschreven en er evenveel ontvangen. Als de elektronische post toen al had bestaan, zouden dat er duizend zijn geweest.

De principale correspondenten waren mijn vader en Jeroen Brouwers, beiden geduchte briefschrijvers en van alle mensen in mijn huidige leven de enigen die nog steeds pen en papier hanteren en aan een postzegel likken.

Mijn eigen brieven aan Willem Barnard heb ik later bewerkt tot een hoofdstuk in 'Het gat in de wereld' (Atlas, 1993; later opgenomen in 'Eeuwrest', ibidem, 2001). Dat hoofdstuk heet 'Alias beste vader' en telt vijfendertig pagina's. De brieven van de patriarch bewaar ik in een kartonnen doos: dat is archeologie voor later, vaatwerk, potscherven, pijlpunten...

Met mijn brieven aan Jeroen heb ik tot op vandaag nooit iets gedaan. Ze hangen in een hangmap in zijn archief te slapen. Omgekeerd heb ik zijn brieven een paar jaar geleden aan het Letterenhuis te Antwerpen geschonken, zonder dat het in me opkwam hem om toestemming te vragen. Toen de afzender dat ontdekte, was hij niet verheugd, om niet te zeggen dat hij me voor het eerst in onze inmiddels bijna zilveren vriendschap een kwaaie brief stuurde. Die brieven waren cadeautjes, niet bestemd voor publicatie, hoe haalde ik het in mijn hoofd, enzovoorts. Die diatribe deed me pijn, moet ik bekennen - ik had die brieven afgestaan omdat ik meende dat niemand er iets aan had als ik ze bij mij thuis bewaarde.

Misschien had ik ze vooral aan dat museum weggegeven omdat ze uit een verdwenen beschaving stamden. Met een hand van vlees op papier geschreven brieven! In een Nederlands dat geen honderd mensen meer beheersen, nu elke tweede journalist in Vlaanderen dingen schrijft als 'voor zij die haar geweld aandoen'. Nu de dativus en de accusativus fossielen zijn die binnenkort alleen nog worden aangetroffen bij opgravingen van bibliotheken uit de Beschaving van Gutenberg. Nu de hele cultuur die mij zo dierbaar is over honderd jaar zal zijn veranderd in een spijkerschrift op kleitabletten, dat enkel nog door specialisten ontcijferd kan worden.

Nu Jeroens zeventigste verjaardag nadert, wilde ik iets over zijn brieven aan die bedroefde emigrant schrijven. Ik verzocht het Letterenhuis om kopieën en mocht die prompt ontvangen.

wordt vervolgd







door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (17)

'Als u religie onzin vindt, zou u zich moeten afvragen of literatuur niet om dezelfde reden onzin is.' Benno Barnards worsteling met het 'bespottelijke' woord zingeving.

Maandag (de grote spiegel van mijn besneeuwde grasveld is weg)
In de antropologie wijst men twee momenten aan als beginpunt van de menselijke - nee, humane - geschiedenis: het moment waarop men zijn eten begon te delen met de zwakkeren en het moment waarop men zijn doden begon te begraven. Het eerste is evolutionair verklaarbaar, het tweede dient geen enkele evolutionair nut, aangezien dat gebruik in zwang kwam onder nomaden, die de lijken ook achter hun rug hadden kunnen laten opvreten door wilde dieren.

Dinsdag (buiten daalt een zonsopgang genaamde schemering neer)
Komt het verabsoluteren van het darwinisme de mensheid, de menselijkheid wel ten goede? Het neodarwinisme heeft geen verhaal te bieden. Daarom verheft het zichzelf tot verhaal. Lees bijvoorbeeld een nijvere atheïst als Dirk Draulans: dat tamme aapje heeft van zijn baasje Richard Dawkins geleerd de moraal (de ontroering, het doodsbewustzijn, de muziek) als een evolutionair product te beschouwen. Zo overschrijdt hij zonder paspoort de grens tussen het rijk van de Logos en dat van de Mythos: hij sublimeert zijn eigen wetenschap tot 'zingeving'.

Woensdag (gedachten zo grijs als het licht)
Wat is er toch aan de hand met onze beschaving dat je gedwongen bent zo'n bespottelijke woord als 'zingeving' te gebruiken? Een woord voor ouwe tantes bij hun theekransje, wanneer het koekblik met christendom leeg is; een woord voor ondermaatse prozaïsten, wanneer de bodem van de fles met Nietzsche is bereikt ... maar hoeveel mensen in dit taalgebied kunnen zich voorstellen dat ik iets smerigs proef wanneer ik dat 'zingeving' in de mond neem - dat het verbale dus in de sfeer van de zintuiglijkheid doordringt?

Donderdag (als het licht de schaduw van God is, zoals de middeleeuwers meenden, is wintergrijs de atmosferische godenschemering)
De Joods-christelijke mythe is nu juist uniek omdat hij in de geschiedenis wortelt. De oude Grieken konden zich hun goden absoluut niet als historische wezens voorstellen. Het mohammedanisme is een derde variant: dat neemt de geschiedenis van zijn protagonist Mohammed enerzijds letterlijk, maar loochent anderzijds de categorie van het historische met het verbod de mens af te beelden. Van de Dürerbijbel - die op het kind dat ik was de onweerstaanbaarheid van het verhevene en angstaanjagende uitoefende, vooral de blote mens die zo traag geëxecuteerd werd - is een islamitisch equivalent ondenkbaar. Een krant zou bij wijze van experiment eens een vriendelijk portret van Mohammed moeten afdrukken, in plaats van een spotprent: wat zou er dan gebeuren?

Vrijdag (één scheur in het wolkendek: ik stroom onmiddellijk vol hartstocht, plannen, zuidelijkheid)
'Obiter dictum' van Willem Jan Otten: 'Ik verwijt Hugo Claus en degenen na hem dat ze nooit werkelijk hebben willen onderzoeken waarom zoveel schitterende geesten katholiek waren en zijn.' Het is inderdaad vreemd dat juist fictieschrijvers de zin van een verhaal niet begrijpen. Als u religie onzin vindt, zou u zich moeten afvragen of literatuur niet om dezelfde reden onzin is.

Vrijdagavond
Maar op het moment dat je het evangelie van 1968 definitief dichtslaat en inziet dat de kerken zijn leeggestroomd doordat ze conform de tijdgeest de gelijkheid begonnen te vieren in plaats van het mysterie - op dat moment klapt de grote val van het syncretisme open. Onze beschaving is uit een zee van bloed aan land gekropen: zij dwingt ons nu de 1400 jaar van een andere tijdrekening als evenwaardig te beschouwen.

Zaterdag (voor dag en dauw, die in geen velden of wegen te bespeuren zijn)
Toen mijn vader ziek was, heb ik aan mijn Joodse vriend gevraagd voor hem te bidden. Hij vroeg me de volledige naam van mijn vader en de voornaam van zijn moeder, opdat hij het gebed voor de zieken kon bidden. Dat is traditie. Denk ik dat God vervolgens persoonlijk ingrijpt? Ik kan u op dat punt geruststellen. Maar het koor van de miljoenen verdrietigen en wanhopigen is misschien wel het grootste continuüm in de geschiedenis van de mensheid. Bidden lijkt op de liefde verklaren aan je vrouw: wat je zegt weet ze al.

Zaterdagmiddag
Het christendom... waarom fascineert die monsterlijke sekte van het Jodendom me zo? De oude Joden besloten dat je beter een bok met alle zonden kon beladen dan een mens. Het lam Gods nam de rol van die bok op zich (de beeldspraak is allemaal wat in de sfeer van de kinderboerderij) en liet daarmee het atheïsme in de godsdienst binnendringen. Een dode godheid! Dat is toch een paradox waarvan je hals in een kurkentrekker verandert? Vandaar dat een katholiek als Otten, een atheïst als Wim van Rooy en een traditiedoorrookte agnosticus als ikzelf het zo goed kunnen vinden: wij zijn de oecumene van het christendom en het atheïsme...

Zaterdagavond
Ik ben een serpent dat mag rotten in de hel, zo meent een lezer. Deze uiting van mohammedaanse fijnzinnigheid hindert me niet - maar de rest van dat proza! Voor welke rechtbank daag ik hem wegens bedreiging van het Nederlands?

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (16)

'Als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok (...).' Benno Barnard ziet de vogeltjes vliegen.

Maandag (de leden van het vogelkoor op zaad en nootjes getrakteerd - ik moet er niet aan denken dat in april al mijn zangers dood zijn) Lezers, ik groet u! U, mevrouw, die wilde weten wie de mysterieuze zaklampseiner was (Wiel Kusters), en u, meneer, die met de humor van een gentleman hebt gereageerd op mijn berisping over de Tridentijnse mis: ik zwaai met mijn hoed naar uw schimmen.

Dinsdag (vannacht citeerde de uil langdurig uit zijn griezelverhalen) De bleke Masja accordeert met sneeuw en ijs. Zij, onze werkster, die met een muts van astrakan voor de deur staat, is afkomstig uit Moermansk, het noordelijke kerkhof van de Russische onderzeevloot. Ik stel me voor dat die stad 's nachts een fosforescerende gloed uitstraalt doordat alles er nucleair besmet is. Een zieke metropool: ook in het hart van de ijspegels die van de dakgoten hangen, brandt een vreemd licht. Maar in haar verbazingwekkende Frans, dat voornamelijk uit lege negentiende-eeuwse frasen schijnt te bestaan, die ze opvult met woorden als torchon en seau , vertelt Masja nooit iets over haar geboortestad; wel merkte ze vorig jaar een keer op dat ze het klimaat in België merkwaardig vond: één lang, lauw, vochtig tussenseizoen. Maar nu beleeft ze voor het eerst in zes jaar een winter.

Woensdag (veel koolmeesjes: knappe arbeidersmeisjes) (al zijn het mannetjes)
Intussen hindert het me vaag dat Masja, deze ijsprinses van nog niet half mijn leeftijd, mij vousvoyeert. Mijn ijdelheid is in het geding - helaas, haar verwekker moet van mijn leeftijd zijn. Dat vous van haar is als een artefact uit een voorbije beschaving; het effect ervan op mij verraadt dat ik niet alleen een ouwe bok ben, maar ook een slachtoffer van de egalitaire drift, net zoals al die kinderen die nooit van hun ouders geleerd hebben dat je mensen hoort te begroeten wanneer je ze tegenkomt. Ik merk tot mijn ergernis dat ik niet meer op een natuurlijke manier kan omgaan met het respect dat een lager geplaatste mij betuigt. In het schimmenspel geheten De leugen der universele gelijkheid klinkt 'een lager geplaatste' als een scheldwoord, wat curieus is, want ten opzichte van weer anderen ben ikzelf ook een lager geplaatste. Maar ach, volgens de onder mijn soortgenoten dominante ideologie plaatsen wij onszelf - en meer bepaald bovenaan.

Donderdag (als de islam humor toestond, bouwden de Zwitserse muzelmannen een moskee in de vorm van een koekoeksklok: geen beter symbool van de demografische jihad dan die vogel)
Het comité Brugge Mariastad wil een tentoonstelling laten sluiten die met groot enthousiasme het christendom bespot, of althans de band tussen religie en macht. Het comité neemt vooral aanstoot aan een kermiskraam, bedacht door een zekere Peter Puype, waarin bezoekers gipsen Mariabeeldjes met stenen aan gruzelementen mogen gooien. Wat zal de artiest genieten van alle aandacht! Zijn manifestatie van culturele zelfhaat druipt van het puberale verlangen brave ouwe kwezeltjes, gehecht aan hun troostrijke en volstrekt ongevaarlijke Mariaverering, zo bruut mogelijk te schofferen. Het zou heldhaftiger zijn geweest plaasteren posturekes van Mohammed te vervaardigen, beste kunstenaar, en die kapot te laten gooien - ook niet erg fijnzinnig, maar dan beledigde je tenminste een echte vijand, dubbelop zelfs, door eerst de Profeet af te beelden en hem vervolgens te vernietigen. En dan was die tentoonstelling in een oogwenk door de autoriteiten gesloten, zodat je een martelaar van de vrije meningsuiting was geworden... en dat in onontplofte toestand!

Vrijdag (een merel in de sneeuw - de dichtregel 'in jeder Amsel hab' ich dich geliebt' van Yvan Goll wordt betekenisloos als die bijbelzwarte niet zit te tierelieren op het dak)
Ik betrapte onze pup terwijl hij lag te kauwen op de blijkbaar bijzonder smakelijke lederen band van 'La Belgique Illustrée' (Larousse, Paris, Préface d'Émile Verhaeren). Het boek was veranderd in pure materie, afkomstig van een dier dat in 1915 had geleefd.

Nog steeds vrijdag (kraaiengekras)
In Egypte worden Koptische christenen vermoord. Nadia Fadil, Sami Zemni en Herman De Ley, of hoe heet die derde nationale moslimintellectueel ook alweer, zwijgen met de zedigheid van kostschoolmeisjes. Een democratisch verbod het islamitisch territorium af te bakenen met reusachtige bajonetten is natuurlijk een veel groter schandaal.

Zaterdag (vier Heilige Geesten zitten zich vol te vreten)
Ik was negen jaar toen het IJsselmeer dichtvroor en mensen er met de auto op rondreden. Reinier Paping won de Elfstedentocht. In de daaropvolgende zomer vergaapte ik me voor het eerst aan de schoonheid van de vrouwen. Het navolgende is een onvatbare gedachte: als ik dat verre moment (vijfenveertig jaar geleden) op het midden van een tijdsas zet, ligt het begin van die as in 1919, het geboortejaar van mijn moeder: er zijn twintig miljoen mensen op het slagveld van de Spaanse griep gesneuveld, de grafheuvels van tien miljoen soldaten zijn vers gedolven, een Duitse ex-korporaal begint het ei van zijn rancune uit te broeden... Maar mijn oudere vriend J., die dezelfde oefening doet, belandt in 1895: 'Het is de tijd van de Belle Époque, terwijl de wereldoorlogen nog in het verschiet liggen, de K.u.K. nog fest gesattelt is, Proust zijn vakantie in Kreuznach (Duitsland) doorbrengt en al mijmert over zijn vroegere kindervakanties in Illiers en Houlgate, het wilhelminische Duitsland het enige land ter wereld met een sociale zekerheid is, etc.,etc.'

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Dagboekgedachten (15)

Benno Barnard in familie: zoonlief van elf noemt hem een 'ouderwetse bourgeois' terwijl papa herinneringen ophaalt aan de 'buitenbaarmoederlijke zwangerschap' die hem een dochter opleverde.

Maandag (de laatste sneeuwhopen zijn ingezakt tot grillige sculpturen)
Een onverwachte mail van mijn oude vriend W., die verzonken is in zijn biografie van de dichter Pierre Kemp: 'Het is al zo'n lange tijd dat we elkaar niet meer hebben geseind, met de zaklamp, als het donker wordt, van overkant naar overkant, van raam tot raam.' Dit is een beeld van de communicatie tussen kinderen in een verdwenen beschaving, die van meccano, lezen onder de deken en het gezin op zaterdagavond rond de radio geschaard... Maar laat ik niet als een kwijlende grijsaard met die verloren tijd dwepen - het was het decennium van de waterstofbom, de Suez-crisis, de Russische tanks over de poesta denderend... In elk geval seinde ik deze woorden terug naar de jaren vijftig: 'Ik weet toch hoe die dingen gaan, beste W. - de zaklamp flikkert uit je poten, de batterij is op, je moeder zegt dat je moet gaan slapen... van dat alles zijn het huwelijksleven en Pierre Kemp de volwassen vormen.'

Dinsdag (nog minstens drie maanden tot de lente)
Een wonderbaarlijke belevenis vanochtend. De hond was Christophers kamer binnengedrongen, waar de Griekse landschildpad Papadopoulos onder de lamp in zijn terrarium zat te zonnen (wanneer hij opstaat, zet Christopher de zon aan). Hij, Rolf, zelf een schapenhond van zes maanden, kwam met Papadopoulos in zijn bek de trap afdalen, heel behoedzaam en zonder de minste agressie. Vermoedelijk interpreteert hij dat harde beest niet als leven maar als een stuk speelgoed; beneden in de hal zou hij hem uit zijn bek over de stenen vloer hebben geslingerd, als een van zijn ballen. Deze zoölogische observatie leidt tot de gedachte dat honden haast nooit doden, ook de rechtstreekse afstammelingen van de Europese wolf niet. Rolf krijgt eten, zegt u? Maar de kat krijgt ook eten en doodt niettemin broeder Veldmuis en zuster Mus vol koude geestdrift.

Woensdag (aan de overkant van de rivier heeft de winterregen Wallonië uitgewist)
Een nieuwe Kiekeboe in huis. Banale tekeningetjes en dwangmatige woordspelingen die schreeuwen om zout, maar de scenario's zijn even vernuftig als de komedies van Shakespeare. Op de eerste pagina noemt Fanny de nieuwe laarsjes van haar vriendin 'fuck-me-botjes'. De vriendin is prostituee (sic) en zegt: 'Wat ik doe is mijn eigen bewuste keuze! Ik heb geen behoefte aan een tante nonnetje dat me wil betuttelen.' We zijn nog steeds in de openingsscène. En onloochenbaar in Vlaanderen, waar landbouw en veeteelt plaats hebben gemaakt voor de verkavelingsbeschaving. Het Frans wordt Engels; het Nederlands blijft Frans; en de religieuze traditie is een nooit opdrogende bron van gefrustreerde humor. O traag herkauwen! O maagsappen waarin alle intellectuele activiteit oplost... En waarom verkoopt een striptekenaar zijn seksuele obsessies aan kinderen van elf?

Donderdag (verse sneeuw hangt al dagen boven ons hoofd, als een oordeel dat maar niet geveld wordt)
Christopher noemde me tijdens het avondeten 'een ouderwetse bourgeois'. Bravo, zoon! En dat voor een elfjarige!

Vrijdag (enkele vlokken,'rari nantes in gurgite vasto')
Joy en Anna kwamen eergisteren terug uit India, waar onze dochter is geboren als het kind van naamloze paria's, die haar in 2001 hebben afgestaan aan het weeshuis van moeder Theresa. Nu heeft ze dus voor het eerst een sentimentele reis naar dat subcontinent gemaakt. Daar had ze een miljard bruine mensen gezien, alsook het tehuis van de zalige Theresa, dat haar indertijd voor ons gebaard heeft (Joy noemde het een buitenbaarmoederlijke zwangerschap). Anna vertelde me over een droom die ze in India had gedroomd. Ze was in een park en wandelde over een pad. Aan de linkerkant stonden wij, aan de rechterkant haar biologische ouders, van wie ze zich niets herinnert. Ze moest kiezen. Toen werd ze wakker. 'En wie zou je hebben gekozen?' vroeg ik. 'Jullie natuurlijk,' zei ze zonder enig theater. 'Ik ken die mensen niet eens.' Grote tante Nonneke, u hoeft niet speciaal voor mij te bidden, maar dankbaar ben ik u wel.

Nog steeds vrijdag (nieuwjaar... ach, natuurlijk - daarom is er dus geen post)
In Dietsche Warande & Belfort een essay van een neerlandicus, Gaston Onbelangh geheten, die Huub Beurskens verwijt 'risicoloze poëzie' te schrijven. Dit in oppositie met poëzie waarvan je dood kunt gaan, veronderstel ik. Ook verklaart de geleerde niet te begrijpen waarom Beurskens nog steeds gedichten schrijft - hij is namelijk een 'hedonist', volgens de definitie die Michel Onfray van dat woord geeft: een ouderwetse bourgeois, zeg maar. Onfray? Deze Gallische haan kraait dat het westen zijn mesthoop is. Onbelangh lijkt meer op een kikker, een koude, onwelluidende opschepper, die kwaakt dat hij wel ooievaarbillen lust.

Zaterdag (nog in kamerjas voor mijn scherm gezeten)
Het internet legt genadeloos bloot dat sommige lezers niet kunnen schrijven, wat geen verbazing hoeft te wekken - vreemd wordt het pas als ze er blijk van geven niet te kunnen lezen. Al is het op een grimmige manier ook wel vermakelijk om domme lezers te hebben... die glanzende botheid van geest! Zo meende iemand dat ik een reactionair was, ja, dat ik weldra voor de herinvoering van de Tridentijnse mis zou pleiten. Speciaal om hem te plezieren getuigde ik dus langs mijn neus weg van mijn liefde voor de Tridentijnse mis, een zeldzaam geworden vorm van eredienst, die ik tot mijn spijt nog nooit heb mogen bijwonen. En hij beet prompt! Triomfantelijk noteerde mijn ijverige lezer dat hij dat al voorspeld had...

door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 

Zelfportret als J.T. Doornenbal (slot)

Het slot uit Benno Barnard's lichtjes provocerende apologie van het christelijk conservatisme. Zelfs Lucas Catherine krijgt een zalig kerstfeest van hem.

In 'Das weisse Band' kan de hiërarchische samenleving - die trapsgewijze georganiseerde uitvergroting van de natuurlijke verhoudingen - zich alleen maar handhaven met behulp van fysiek geweld. Op dat punt aanbeland is een maatschappij ancien régime geworden. Maar ook een oorlog of een revolutie, gevolg door een nouveau régime , verandert niets aan het feit dat de verschillende westerse samenlevingen tot op de dag van vandaag de structuur van een gegroeide hiërarchie blijven vertonen. Dat kunnen we maar beter toegeven.

Bij iedere poging om het wiel van de geschiedenis in naam van de 'vooruitgang' en de 'maakbare samenleving' een zwiep te geven, belanden we alleen maar in de problemen. Het is veel verstandiger de dingen heel behoedzaam te wijzigen. Voor ons sociale geluk en de wereldvrede moeten we er rekening mee houden dat de mens een duister wezen is, geneigd tot zelfvernietiging. Niet is dommer dan de hiërarchische evenwichten, het moeizame resultaat van trage ontwikkelingen, omver te werpen. Dat porselein breekt altijd.

Het geloof in systemen die zo volmaakt zijn dat je zelf niet meer je best hoeft te doen, is het gevaarlijkste wat er bestaat. Daarom zijn linkse dictaturen meestal ook veel bloediger dan rechtse, waarbij ik het nationaal-socialisme opvat als datgene wat het zegt te zijn: een socialisme. Nare bestuursvormen als de rechtse dictaturen in Zuid-Amerika hebben tienduizenden mensen vermoord, maar Mao's heilsstaat bracht zijn hecatomben met miljoenen tegelijk.

Ik begrijp niet waarom de aanhangers van het egalitaire staatsmodel ter vervanging van het christendom het darwinisme prediken. Is dat om een schijn van wetenschappelijkheid aan hun politieke idealen te verlenen? Maar het darwinisme is een omschrijving van de natuur als een extreem hiërarchische organisatievorm - de voedselketen is een trap waar nogal wat schepsels vanaf donderen. Als er iets rechts en reactionair is, dan wel de natuur.

Tot de verschrikkingen van het darwinisme als ideologie behoort het verbreken van het grootste sociale contract van allemaal: dat tussen de doden, de levenden en de ongeborenen. Het darwinisme betekent het einde van de transcendentie, de betrekkelijkheid van alle levensvormen en bijgevolg het onbelang van de dood - en dus ook van de doden . De dominante westerse cultuur heeft voor het eerst sinds de dageraad van het menselijk bewustzijn de band met de doden verbroken. Alle grote politieke moordsystemen sinds 1917 pretendeerden niet toevallig een wetenschappelijke basis te hebben; en niet per ongeluk waren ze allemaal anti-Joods en anti-christelijk.

Voor de laatste maal keer ik terug naar dominee Doornenbal, of liever gezegd naar zijn biograaf, Bart Jan Spruyt. Deze historicus is lid van een zwartgallige protestantse denominatie, in de godshuizen waarvan ik nog niet als lijk zou willen worden aangetroffen - vooral niet als lijk eigenlijk. Geef mij maar een Tridentijnse mis. Of nog liever een Engels jongenskoor en 'The Book of Common Prayer', formules die al driehonderdvijftig jaar hun deugdelijkheid hebben bewezen. Maar wat ik met Spruyt deel, en met zijn onderwerp, is het besef dat 'transcendentie' onmisbaar is voor denkende nostalgici. Het alternatief is namelijk de menselijke hybris van de wereldverbeteraars, de sociale ingenieurs, de darwinisten en de nog veel ergeren.

Ach, het christendom! Maar ook in afgeschafte toestand lijkt het me voorlopig nog wel te functioneren. Links verplaatst zich op enkele stokpaarden, waarvan de Maakbaarheidsideologie en de Klimaatpaniek de bekendste zijn. Beide hebben een christelijke pedigree: ze vervangen de Stad Gods, respectievelijk de Ruiters van de Apocalyps - want ook de notie van de kapotmaakbaarheid behoort tot de zelfoverschatting van de homo sinister , de linkse mens. Maar wat mij interesseert is de vraag in hoeverre het christelijk geloof niet sowieso onafschafbaar is. Want de westerse beschaving is op het zelfbeschuldigende af doordrongen van noties als vergeving, zachtmoedigheid en vrede, ook op de momenten dat zij niet in overeenstemming daarmee handelt.

En dat conservatisme van Doornenbal? Mijn opvatting luidt dat de kunst en het intellect de oorlog moeten verklaren aan het egalitaire samenlevingsmodel. Accepteer de plaats die u door de geschiedenis is aangewezen, verbeter uw positie indien mogelijk door noeste arbeid en het woekeren met al uw talenten -zo luidt de boodschap van mijn conservatisme. Het Nieuwe Jeruzalem daalt uit de hemel neer (of niet natuurlijk), maar je kunt het nooit zelf bouwen; hooguit is een onvolmaakte benadering van de transcendente matrix mogelijk.

Juju, wat een achterwaarts gerichte ideeën verkondig ik hier! Ik moet er nog bij zeggen, beste lezers, dat u niet per se in eigen persoon christelijk hoeft te zijn, zolang God maar wat verstandige gelovigen over de christelijke aarde uit blijft strooien, als zoutkorrels - een handvol mensen links en rechts, die de traditie doorgeven, de gebruiken, de verhalen, de rituelen, de schaamte over het eigen falen, en die om zo te zeggen namens u geloven . (Of God bestaat, is weer een heel ander onderwerp.)

In het blijde besef dat zelfs Lucas Catherine de geboorte van een Jood zal moeten vieren, wens ik u een zalig Kerstfeest toe.




door Redactie Knack | | reacties | reageer hier

 
Tweewekelijks schrijft Benno Barnard over de wereld die hem dierbaar is, in de wetenschap dat het lijk van de moderniteit ons dreigt te verpletteren. Daarnaast presenteert Barnard in 'Mijn Gedichtenschrift' een Nederlandstalig of buitenlands gedicht, waar hij een subjectieve beschouwing aan toevoegt.