Respect voor de rest

In het geweldige Natuurhistorisch Museum van Londen, dat gratis toegankelijk is voor het publiek, hangt een levensgrote replica van een blauwe vinvis: 30 meter lang! Het is een waanzinnige ervaring rond het gigantische dier te wandelen. Er staan opgezette olifanten, nijlpaarden en giraffen langs. Dat lijken ineens kleine beestjes. In een andere zaal staat een bewegend model van een tyrannosaurus, en hoewel die zijn best doet om er vervaarlijk uit te zien, gaat er veel meer ontzag uit van de vinvis, ondanks het feit dat hij geen roofdier is. Hij is waarschijnlijk wel het grootste dier dat ooit geleefd heeft.

We hebben hem bijna in de vernieling gejaagd. Letterlijk. Stel je voor, dat fantastische schepsel, verdwenen als gevolg van onze activiteiten. Wetenschappers schatten dat er ooit 300.000 blauwe vinvissen door de oceanen zwierven. Vandaag zouden er slechts een schamele 3.000 overblijven. Dat is al meer dan twintig jaar geleden, toen het dier zo goed als uitgestorven was - een gevolg van de walvisjacht. De mens was niet te beschroomd om zo'n wonder van de natuur genadeloos weg te schieten, omdat er veel vlees en vet aanhing dat verkocht kon worden. Zoals hij met de dodo en de reuzenalk heeft gedaan. En met nog een heleboel andere soorten. Schande!

Blauwe Vinvis

Ondertussen is de politiek dat de mens eender wat moet kunnen 'oogsten', alleen maar omdat het in zijn omgeving leeft, achterhaald door het groeiende inzicht dat wij niet het recht hebben te beslissen wat wel en wat geen reden van bestaan heeft. Een inzicht dat hoogstwaarschijnlijk te laat kwam om de baiji nog te redden: de zoetwaterdolfijn van de Gele Rivier in China die al enkele jaren niet meer gezien is, en die officieel uitgestorven is verklaard.

Daarom is het zo wraakroepend dat Japan eind vorig jaar besliste om rond de zuidpool een duizendtal walvissen te gaan harpoeneren, vooral dwergvinvissen, maar ook een vijftigtal gewone vinvissen, met hun 25 meter niet zoveel kleiner dan de blauwe vinvis. Ook de spectaculaire bultrug stond op het verlanglijstje, de walvis die zo gemakkelijk bejaagd kan worden omdat hij zo hard opvalt: hij spring regelmatig hoog boven het water uit, waarschijnlijk vooral omdat hij dat zo plezant vindt. In 1963 werd de soort wereldwijd beschermd, omdat er minder dan 1.000 exemplaren van overbleven.

Nu is hij een beetje terug van ver weg geweest - voor sommige Japanners genoeg om de jacht te heropenen. Gelukkig krabbelden ze in extremis terug, althans voor wat de bultrug betreft, onder zware internationale druk. Er is geen enkele gegronde reden meer voor walvisjacht, want er is bijna geen markt meer voor walvisvlees, en er zijn veel interessantere en walvisvriendelijkere methodes voor wetenschappelijk onderzoek dan het doden van dieren.

De Japanners verantwoordden hun walvisjacht onder meer met het argument dat het Westen geen recht heeft zich te moeien met hun specifieke 'eetcultuur', en dat het ook een beetje om het behoud van een traditie gaat. Zoals enkele Inuïtgemeenschappen in Noord-Amerika de kans krijgen om een paar grijze walvissen te jagen, als een actieve variant van een onderdompeling in een Bokrijkachtige nostalgie.

Baiji

Ik heb in mijn biologentijd, twintig jaar geleden, de kans gehad om tijdens een expeditie van de Canadian Wildlife Service deel te nemen aan een jachtpartij van enkele Inuït op een boot. De mannen leken dronken voor ze vertrokken. Ze knalden onderweg een prachtige ijsduiker uit de lucht, puur voor het plezier - ze deden zelfs geen moeite om het dode dier te gaan zoeken. Ze schoten van veel te ver op een groep zeehonden, zodat er alleen een bloederige wolk in het water achterbleef op de plaats waar de dieren aan het spelen waren. Ze mikten zelfs op enkele beluga's, witte walvissen, en giechelden vreemd toen ik hen er nogal nors op wees dat er geen enkele reden was om op die beesten te schieten.

Het is toen dat ik begon in te zien dat de mens waarschijnlijk nooit echt in harmonie met de natuur leefde, dat de rituelen van traditionele volkeren over hun band met de natuur grotendeels uit de verhalen stammen, en zelden uit de praktijk. Als mensen in harmonie leven met de natuur, is dat omdat ze met te weinig zijn om veel druk op de natuur uit te oefenen. Nu is het een instelling geworden, vooral ingegeven door het feit dat de meesten van ons de natuur niet meer nodig hebben om in leven te blijven.

IJsduiker

Ik las vorig weekend, op de terugweg van Londen, toevallig dat de fameuze toespraak van de legendarische indianenhoofdman Chief Seattle, over de waarde van de aarde als ons aller moeder, een fictie is, grotendeels in 1971 geschreven door een Amerikaan die een geromantiseerde tv-documentaire over de chef in kwestie maakte. Destijds waren er al twijfels over de authenticiteit van het verhaal, omdat het pas decennia later gelanceerd werd door een obscuur figuur die als tolk had gefungeerd. Naar verluidt zou Seattle zijn land in 1854 zonder veel morren aan de blanke bezetters verpatst hebben.

Het was een schok, maar het verbaasde me niets. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat de mens geen aangeboren respect voor de natuur heeft.

De pygmeeën in het Congolese regenwoud: die hebben respect voor de natuur. Maar die hebben geen zware wapens, die moeten nog bang zijn van grote beesten, uit schrik omver gelopen te worden en zware verwondingen op te lopen, waar ze geen medisch verweer tegen hebben. Die zijn respectvol uit angst. Ik ontmoette vorig jaar Congolezen in het regenwoud die respect hebben voor de bonobo, die ze als een andere mens beschouwen, als een broer, maar die de bonobo vooral gebruikten als argument om commerciële houtkap op afstand te houden, omdat ze ondertussen weten dat commerciële houtkap héél ontwrichtend kan werken voor lokale gemeenschappen (van mensen en andere dieren).

Het alternatief voor een gebrekkige visie over een gezonde leefomgeving is armoede. Dat inzicht begint overal door te dringen. Natuurbeschermingsorganisaties als het WWF spelen daarop in, en hameren steeds meer op een duurzame relatie met de omgeving als een manier om aan armoede te ontsnappen.

Je ziet dat tegenwoordig sterk in de sector van de visserij. Vissers op de Amazone hebben geleerd dat ze een hoger inkomen uit hun activiteit kunnen puren als ze niet het ganse jaar door op de vissen jagen, maar alleen buiten het voortplantingsseizoen. Het is effectief mogelijk een enorme vispopulatie op korte termijn in de vernieling te werken, zoals bleek voor de kust van Oost-Canada, waar er ineens geen enkele kabeljauw meer was. Nu, twintig jaar later, is dat nog altijd zo, ondanks een totaal verbod op visvangst. Het lijkt alsof de zee zich ingesteld heeft op een leven zonder kabeljauw. Voor de lokale vissersgemeenschappen is dat uiteraard een ramp. Armoede of migratie is het enige antwoord.

Kabeljauw

Daarom was ik zo verbaasd dat onze overheid vorige maand besliste om opnieuw op kabeljauw te laten vissen in de Noordzee. Zelfs de vissers waren verrast door deze maatregel. Er blijkt opnieuw wat meer kabeljauw in de Noordzee te zitten. Maar er zitten ook meer bruinvissen in de Noordzee, en dat zou te maken hebben met problemen rond de voedselvoorziening in hun noordelijke leefgebied. Meer bruinvissen in de Noordzee zijn dus niet noodzakelijk goed nieuws. Dat zou ook voor de kabeljauw kunnen gelden. Maar de kortzichtigheid primeert: er zit wat meer vis, dus kan er weer gevangen worden.

We leren onze lesjes zo langzaam. Wetenschappelijke modellen voorspellen dat, als er niet drastisch wordt ingegrepen, er tegen 2050 in de oceanen geen enkele commercieel exploiteerbare vispopulatie meer zal overblijven. Geen enkele! Dan zullen we van gekweekte vis moeten leven. Die nu al voor problemen zorgt, door het opofferen van de laatste mangrovewouden aan gigantische kwekerijen, en door het overbevissen van krillpopulaties als voedsel voor het groeiend aantal kweekvissen. Zo schuift het probleem gewoon een trapje lager op de ecologische ladder, een trapje verder de dieperik in.

Het wordt moeilijk om als milieubewuste bioloog op restaurant te gaan. Ik eet al lang geen haas meer, omdat hazen in Oost-Europa klappen krijgen omdat wij ze massaal op ons bord willen. Vorig jaar heb ik ook de tonijn van mijn menulijstje geschrapt, wegens langzaam in de vernieling gevist, ondanks het feit dat ik het een zalige vis om te eten vind. Ik twijfel steeds meer of ik niet hetzelfde zou doen met de kabeljauw. Het zal niet lang meer duren voor ik overstag ga, vrees ik. Alleen nog everzwijn, fazant en zalm op mijn bord. Jammer maar helaas.

Haas

Ik vrees echter dat een duurzame levenshouding, zeker in functie van al dan niet consumeerbaarheid, op termijn niet zal volstaan om het tij inzake natuurverloedering te keren. Wij leven in Vlaanderen steeds duurzamer, maar onze natuur wordt steeds uniformer, met vooral soorten die zich perfect inpassen in een door de mens gedomineerd systeem. Het is geweldig dat er merels en eksters zijn, maar jammer dat leeuwerik en kievitsbloem verdwijnen.

Ekster

In een wanhoopspoging klampen goedmenende natuurbeschermers zich soms vast aan argumenten die pleiten voor het behoud van de natuur om haar nut voor de mens, als groene long, als toeristische attractie, als potentiële bron van onbekende genees- en andere voor de mens interessante middelen. Beschermen om te kunnen gebruiken.

In feite zijn dat vreselijke argumenten. Want ze impliceren dat iets waarvan zeker is dat het niet nuttig is voor de mens, ook niet beschermd moet worden. Daarenboven heb ik niet het gevoel dat onze industrie massaal zit te wachten op een speciale kleeftechniek van een zeldzame kameleon uit de woestijn van Namibië, of een uitzonderlijk moleculair mechanisme in het gif van een kikkertje uit de kruinen van het Zuid-Amerikaanse regenwoud.

Ik voel me dan ook stilaan afglijden naar een soort filosofische, bijna utopische benadering van duurzaamheid: duurzaamheid uit puur respect voor de natuur, losgekoppeld van enig nut voor de mens, behalve het genoegen van de verwondering (en de bewondering). Verwondering en bewondering om de speelsheid van de bultrug, het innovatieve sociaal systeem van de bonobo met zijn op vrouwenvriendschap gebaseerde maatschappij, de elegante kracht van de tonijn.

Waarbij ik me ervoor hoed om in de val van het spektakel te trappen. Zelfs de kleinste nachtkikker die onlangs in het Indiase regenwoud ontdekt werd, en die perfect op het kleinste eurocentje past, verdient ons respect. Hij heeft het recht er te zijn. En het recht er te blijven.

door Dirk Draulans | | reacties | reageer hier

ongepaste reactie?


 
Zich in het kielzog van de grote Darwin begeven, is de ultieme natte droom van een evolutiebioloog. Knack-journalist Dirk Draulans doet gedurende acht maanden de reis van Darwin over met een moderne clipper met drie masten, de Stad Amsterdam. Volg hier zijn wild avontuur!