Frank Albers

Mijn laatste droom

Niemand vraagt mij nog wat ik later wil worden. Dat komt omdat ik nu vijftig ben. Zoveel later heb je dan niet meer. Dat zeggen de mensen natuurlijk nooit in je gezicht, maar dat denken ze wel. En de mensen krijgen in deze wereld vaak gelijk, ook als ze het niet hebben. Maar tien jaar geleden hoorde ik die vraag ook al niet meer: wat wil je later worden? Wat ga je later doen? Terwijl ik toen toch nog behoorlijk wat later had. Kennelijk heeft die vraag een leeftijdsgrens, komt er een moment waarna het niet meer welvoeglijk is om iemand te vragen naar toekomstplannen die hij wellicht niet meer heeft, dromen die hij wellicht niet meer koestert, wegens - nou ja, te oud dus.

Toch heb ik nog één droom. Ik zou nog graag despoot worden. Verlicht natuurlijk, maar toch despoot. Ik vind dat ik daar nu de juiste leeftijd, de vereiste maturiteit voor heb. Despoot mag je niet te jong worden. Kijk naar Nero. Keizer op zijn zeventiende, dood op zijn eenendertigste. Liet een ontzettende puinzooi achter. Veel te jong aan de top gekomen. Kon duidelijk niet om met de macht. Of neem Richard II. Koning van Engeland op zijn tiende. Verbijsterde vriend en vijand toen hij op zijn veertiende door onderhandelingen een einde maakte aan een boerenopstand. Dat gaat zo'n cadet naar het hoofd natuurlijk. Richard werd helemaal zot van eigendunk. Graaide in de staatskas, verbande, beboette en executeerde tegenstanders à volonté. Afgezet en dood op zijn drieëndertigste. Had Shakespeare geen weergaloos stuk over hem geschreven, wij zouden van Richard II niet meer spreken. Verlicht despotisme is niets voor tieners.

Maar ik ben er klaar voor. Ik heb genoeg gelezen, genoeg gereisd, genoeg mensen gesproken, de wereld lang genoeg geobserveerd om te weten dat het zo niet verder kan. Ik wil mijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen.

Ik beloof dat ik op de eerste dag van mijn verlicht bewind het parlement zal sluiten. Die ouderwetse praatbarak bezit niet de macht en zeker niet het talent om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ik installeer meteen een oligarchie. Het dagelijks bestuur van het land komt in handen van een paar uiterst intelligente en bekwame mannen en vrouwen die mij voldoende integer lijken om op zindelijke wijze met macht om te gaan. Ik denk aan Bert De Graeve, Frank Vandenbroucke, Christine Van Broeckhoven en Bea Cantillon. Aan Paul de Grauwe vraag ik om een alternatief economisch model te ontwikkelen. Op mijn tweede despotendag sluit ik immers de beurs. Er moet een einde komen aan de permanente financiële onzekerheid waarin mensen als gevolg van al dat tomeloze gesjacher al vele decennia verkeren.

Op mijn derde dag nodig ik mijn oude prof Etienne Vermeersch uit. Hij moet me komen uitleggen waarom hij zich met die rare Gravensteengroep heeft vereenzelvigd, en waarom hij denkt dat een onafhankelijk Vlaanderen democratischer zou zijn dan België ooit is geweest. Ik vermoed hier volksverlakkerij, maar als Vermeersch mij kan overtuigen dat, ik zeg maar wat, in zo'n Vlaanderen het erfrecht fundamenteel wordt herzien, dat de vermogensbelasting er tien keer hoger zal zijn dan de belasting op arbeid, dat verplegers en verpleegsters er minstens evenveel zullen verdienen als topvoetballers en vrouwen niet minder dan mannen - goed, dan scheur ik ons af. Dan maak ik van Vlaanderen een utopische bonzai-republiek, een soort politiek madurodam dat grotere, onrechtvaardigere mogendheden tot voorbeeld zal strekken. De monarchie wordt sowieso afgeschaft.

Op de vierde dag richt ik een staatskrant op. Een krant zonder advertenties, zonder regionaal flutnieuws, zonder narcistische, schmierende journalisten, een krant die zijn lezers niet opvrijt, geen bonnetjes of gratis tickets uitdeelt, een uitmuntend geschreven krant die mij uitstekend informeert over wat er werkelijk toe doet in de wereld, zonder commerciële en andere tactische bijgedachten. En ik beloof vele zweepslagen voor elke journalist die het nog bestaat om in nationale nieuwsuitzendingen te berichten over een verdronken paard of een brandend fritkot.

Op de vijfde dag laat ik een aantal mensen arresteren, niet omdat ze misdadigers zijn, maar gewoon, omdat ik ze vervelend vind. Draaikonten, konkelaars, gluiperds, genre Noël Slangen of Siegfried Bracke: de nor in. Maar verlicht als ik ben laat ik hen niet ophangen, liever spreek ik de gruwelijkste straf uit die zulke mensen in deze tijden kan treffen: ze mogen nooit meer op teevee. O heerlijke nieuwe wereld!

door Frank Albers | | reacties | reageer hier

 

Liefste meter en peter

Ik weet het wel, gij zijt al keilang dood,
Wat kan mijn aards gewauwel u nog schelen,
Gij vindt het vast en zeker idioot
Dat ik u nog een nieuwjaarsbrief wil mailen.

(O wist gij maar wat mailen was!
Een mailtje is een brief van glas)

Maar wees niet bang: ik vraag u geen cadeau,
Geen laptop, geen console en geen Wii,
De mens - en ik citeer Jean-Jacques Rousseau -
Kan echt wel leven zonder MP3.

Ik vraag alleen dat gij mij zoudt zien staan,
Hier in Tervuren met mijn rimramrijm,
Het duurt niet lang, hoor mij nu even aan,
Ik zal u niet vervelen met geslijm.

Wat geeft gij om ons roepen en ons smeken,
Daar op uw eeuwig onderduikadres,
Zo ver van ons verdriet en onze stress,
Van kanker en van rommelhypotheken.

Er was een tijd, maar dat is lang geleden,
Dat god ons lijden voor zijn rek'ning nam,
Waar is hij nu, de laffe ombudsman?
De hemel is een spambox vol gebeden.

Al heb ik dan aan uw hiernamaals schijt,
Al hou ik niet van tucht en penitentie,
Er zijn toch dagen dat ik u benijd,
Daar in uw transcendente residentie.

Want hier op aarde gaat het hel'maal mis,
De wereld is in handen van malloten,
Die doen alsof het nergens beter is,
Terwijl toch ied'reen weet: 't is naar de kloten.

Neem Vlaanderen, het land van uwe dromen
Waar God u toesprak in het ABN,
Dat is in angst en welstand omgekomen,
Daar jankt een xenofoob in ieder gen.

Verwekt uit achterdocht en eigenwaan,
Probeert het al wat vreemd is weg te pesten,
Het spreekt geen taal, het brabbelt zelfvoldaan,
Het slikt en spaart en huichelt als de besten.

Ook elders zorgt de mens voor veel ellende,
Hij steelt en liegt, hij sjachert en hij moordt,
Zelfs in dat nette land van Balkenende,
Wordt soms de rust op straat ineens verstoord.

Geloof mij maar, het gaat hier echt niet goed,
Neem vorig jaar - ook dit verzin ik niet -
Toen gingen banken zélf zowaar bankroet,
Het scheelde niks of alles was failliet.

Ik weet niet of gij daar waar gij nu staat,
De gaten in de ozonlaag kunt zien,
Het is te laat, om zeep is ons klimaat,
Wij hebben denk ik nog een jaar of tien.

Ik ben niet oud niet jong maar moe
Want al dat peinzen, al dat internetten,
En al dat bloggen, zeiken in gazetten,
Wat doet het er in godsnaam toe?

Wat kan een mens die niet wil buigen nu nog doen?
Ach, toch niet wéér een column of een commentaar,
Ik denk dat ik maar eens een staatsgreep pleeg dit jaar.
Dag peter meter lief, een zoen van uw kapoen.

door Frank Albers | | reacties | reageer hier

 

Een roman is geen restaurant

Het gaat goed met het romandebuut van de jonge Italiaanse schrijver Paulo Giordano (°1982): De eenzaamheid van de priemgetallen kreeg in Italië meteen de meest prestigieuze literatuurprijs van het land, de Premio Strega, en er werden al meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Ook de Nederlandse vertaling doet het uitstekend: ruim 250 000 exemplaren in elf maanden. Hoe is die bijval te verklaren? Welke maatstaven leggen al die jubelende recensenten aan? Wat zijn hun argumenten? De receptie van deze Italiaanse succesroman in de Nederlandse pers getuigt van een onthutsende eensgezindheid en oppervlakkigheid.

De eenzaamheid van de priemgetallen beschrijft de onmogelijke liefde tussen twee Italiaanse jongeren, het kreupele en anorectische meisje Alice en de autistische, wiskundig uiterst begaafde Mattia. Tussen Alice en Mattia wordt het nooit echt wat, maar toch omcirkelen en doorkruisen hun jonge levens elkaar veertien jaar lang. Alice en Mattia hebben allebei erge dingen meegemaakt, ze hunkeren naar warmte en begrip maar kunnen zich nooit echt hechten, niet aan de wereld, niet aan anderen, niet aan elkaar. Vandaar de titel: "Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 en door zichzelf. Ze staan op hun plaats in de oneindige rij natuurlijke getallen, zoals allemaal tussen twee ingeklemd, maar verder uit elkaar dan de andere. Het zijn argwanende, eenzame getallen (...)."

Giordano vertelt het verhaal van Alice en Mattia tussen 1983 en 2007, in zeven chronologisch geordende episoden die het boek een eenvoudige structuur verlenen. Ook de stijl waar het boek zo om wordt geprezen, is van een grote, soms naar monotonie neigende eenvoud. Giordano mag graag afgevijlde zinnetjes stapelen: "Ze had zich geen pijn gedaan. Ze moest niet huilen. Ze kon niet nadenken over wat er zojuist was gebeurd. (...) Ze zou niets opruimen. Ze zou wachten tot haar schoonouders kwamen en haar zo aantroffen. Ze zou hun vertellen hoe Fabio zich had gedragen." Ook het uiterst empatische vertelperspectief draagt er toe bij dat dit boek 'lekker wegleest'. Bovendien focust de verteller nadrukkelijk op het wedervaren en de zieleroerselen van Alice en Mattia, waardoor de meeste andere personages weinig reliëf krijgen en de lezer zich dus niet al te zeer op nevenintriges of tegenstemmen hoeft te concentreren. Een easy read.

De Nederlandse vertaling is in januari 2009 verschenen bij Cargo, een imprint van De Bezige Bij. De lof spat van het kaft af: "Een van de belangrijkste boeken van het jaar. Een hartverscheurende vertelling," krijt esta (een glossy met als motto: 'Elke twee weken serieus leuk.'). "Een hartverscheurend mooi boek" echoot Veronica Magazine . "Prachtig geschreven en aangrijpend vanaf de eerste bladzijde," juicht Libelle . "Ontzettend mooi en overtuigend geschreven," aldus de Nederlandse gratiskrant Spits .

Esta, Veronica Magazine, Libelle: niet meteen gezaghebbende bladen als het over literatuurkritiek gaat, maar ook minder fluttige media hadden voor Giordano's boek veel waardering. "De jubel in Italië" is "volkomen terecht," schreef Het Parool, "wie op zo'n jeugdige leeftijd al zo'n rijpe, levenswijze en beheerst geschreven roman schrijft, is een uitzonderlijk talent." "Ontroerende debuutroman met een volmaakt beheerste schrijfstijl," luidde het in Trouw. NRC Handelsblad loofde Giordano's "literaire talent, dat berust op zijn ingehouden tederheid en op de poëzie van zijn rake metaforen." Weliswaar af en toe "sentimenteel" maar toch een "goed boek", vond de kwaliteitskrant. Het minst onder de indruk was de Volkskrant, die de schrijver "onbeholpen perspectiefwisselingen", een "af en toe hinderlijk clichématige stijl en een stuk of wat onhandigheden" aanwreef. "Een verre van gaaf boek" heette het. Niettemin kreeg ook deze recensent van het slot "een droge mond en vochtige ogen." In Vlaanderen noemde De Morgen dit boek "een triomf." De Standaard nam gewoon de jubelrecensie uit Het Parool over. Knack heeft dit boek niet gerecenseerd, in Humo verscheen een beknopte samenvatting.

Uit dit overzichtje blijkt dat vrijwel alle recensenten De eenzaamheid van de priemgetallen loven om dezelfde twee redenen: het boek is ontroerend en het is mooi geschreven. Dat zijn geen onbelangrijke maar wel erg vage en subjectieve criteria. Wat is dat, mooi schrijven? "Zijn vrouw was uit het leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui": is dit mooi schrijven? "De meubels die de avond daarvoor nog een ziel leken te hebben (...) waren nu niets meer dan haar slaapkamermeubels, geurloos als haar lauwe berusting." Jawel: geurloos als haar lauwe berusting . Of nog: "Hij wilde ontdekken of dat storende stolsel van verlangen dat in zijn hoofd zat echt als boter zou smelten als hij zijn klasgenoot, op wie hij verliefd was, gewoon zou aanraken." Smaken verschillen, maar laten we een beetje ernstig blijven.

Bovendien: wat is in dit geval het aandeel van de vertalers (Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd) in die - betwistbare - schoonheid? Daar stond geen enkele recensent bij stil. En waarom zou een roman "gaaf" moeten zijn? Waarom is gaafheid een literaire kwaliteit? Is Macbeth gaaf? Bouvard et Pécuchet ? Moby-Dick ? En waar ligt de grens tussen hartverscheurend en sentimenteel? En waarom zou een roman "levenswijs" moeten zijn? Is Voyage au bout de la nuit levenswijs? Ulysses ? Beckett?

Of je nu Veronica Magazine leest of NRC Handelsblad, de ondoordachte normen die literatuurcritici in de commerciële media hanteren zijn grosso modo overal dezelfde: psychologisch en vaag esthetisch. Als een boek maar "mooi" geschreven is en als je er "een droge mond en vochtige ogen" van krijgt, dan is het goed. Dit is culinaire literatuurkritiek : je somt op wat je hebt gegeten en je zegt wat je lekker vond en wat niet. Klaar. Maar een roman is geen restaurant.

Me dunkt dat literatuurkritiek toch interessantere en complexere kwesties aan de orde kan stellen, zelfs binnen de krappe ruimte die de commerciële cultuurjournalistiek haar vergunt. De eenzaamheid van de priemgetallen speelt zich af in Italië tussen 1983 en 2007. Maar wat zegt het boek ons over dat land in die tijd? Niets. Geschiedenis, politiek, globalisering, cultuurkritiek: geen spoor. De roman baadt in een wereldvreemdheid die misschien wel typerend is voor eenzelvige, verliefde tieners, maar levert dit ook interessante, relevante literatuur op? Kennelijk kreeg geen enkele recensent tijdens het lezen van dit boek last van de benauwdheid die mij gaandeweg beving. Zelfs de kritiek van de Volkskrantrecensent bleef beperkt tot formele, technische tekortkomingen van het boek, en stelde niet de veel urgentere vraag: Waar is de wereld in dit boek? Kon dit boek niet net zo goed in de jaren vijftig of zestig spelen? Wat is het belang van de historische markeringen - de zeven episodes spelen zich af in 1983, 1984, 1991, 1995, 1998, 2003 en 2007 - als er in het verhaal van die historische inbedding niets te merken valt? Waarom is de huishoudster van Alices vader - een welgestelde advocaat - een Ecuadoriaanse als dit gegeven er in de rest van de roman helemaal niet toe doet? Nergens slaagt deze roman erin een zinvol, verhelderend verband te leggen tussen de sombere binnenwereld van twee tobbende adolescenten en de grote buitenwereld.

Moet dat dan? Moet een roman altijd cultuurkritiek zijn, zich met geschiedenis en politiek bemoeien? Is dit geen erg beperkende visie, die de betekenis van literatuur reduceert tot wat documentairemakers of, godbetert, journalisten doen? Natuurlijk moét een roman of een schrijver niets, maar dat neemt niet weg dat sommige boeken, oeuvres, schrijvers relevanter zijn dan andere. Relevante literatuur verhoudt zich altijd op de een of andere manier tot de geschiedenis, tot een context. Relevante literatuur is éérst eigentijds en daarna misschien tijdloos. Dit betekent helemaal niet dat een relevante roman geen schoonheid of ontroering kan bevatten. Maar in literatuur die ertoe doet zijn ook schoonheid en ontroering geworteld in iets méér dan simpele psychologische herkenbaarheid. Ook schoonheid en ontroering moet je bevechten, bedingen, aan de wereld ontfutselen. Dat is het verschil tussen schrijvers als David Grossman en Orhan Pamuk enerzijds, en bellettristen als Giordano anderzijds. Het oeuvre van de eerste twee hangt met klodden vast aan een tijd, een cultuur, een context, terwijl je in een roman als De eenzaamheid van de priemgetallen niet eens de vingerafdrukken van een buitenwereld aantreft. Daardoor neigt deze Italiaanse succesroman minder naar kunst dan naar edelkitsch: hij creëert, in het beste geval, schoonheid in het historisch luchtledige. Lippizanerkunst. In vergelijking hiermee is bijvoorbeeld De vliegeraar een veel interessanter boek. Daarin werd een bijwijlen ook hartverscheurend en zelfs sentimenteel verhaal wél afgezet tegen het canvas van de recente geschiedenis, wat op een andere manier ook geldt voor Het huis van de moskee . Of neem een best wel intimistische novelle als Ian McEwans On Cecil Beach . Daarin voel je op iedere pagina hoe de benauwende tijdgeest van de jaren vijftig in Engeland doordringt tot in elke porie van de seksueel gestremde hoofdpersonages. Commercieel succesvol én relevant: het kan.

Natuurlijk bestaan er ook romans die zich lijken te hebben losgezongen van alle herkenbare, cultuurhistorische referenties en die er toch toe doen. Ik denk aan J.M. Coetzee en José Saramago bijvoorbeeld, twee recente Nobelprijswinnaars die in hun werk vaak slechts op een zeer indirecte manier verwijzen naar een historische werkelijkheid. Maar in romans als Waiting for the Barbarians en De stad der blinden bezit het verhaal een duidelijk allegorisch karakter, wat de lezer uitnodigt en uitdaagt om zelf een brug te slaan tussen de romaneske wereld en de grote wereld daarbuiten. In De eenzaamheid van de priemgetallen is er van een dergelijke allegorische dimensie geen sprake. Deze roman kiest radicaal voor de binnenkant: gemijmer, getob, gehunker - gevat in een eenvoudige en vereenvoudigende taal.

Eenvoud, herkenbaarheid, directe ontroering: daarop drijft deze roman, en dat zijn wellicht ook de ingrediënten die het massale succes van dit boek verklaren. Natuurlijk staat het iedereen vrij om op deze manier aan literatuur te doen en om van dit soort literatuur te genieten. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de literatuurkritiek - van pulpblaadjes tot kwaliteitskranten - zich van dezelfde oppervlakkige en eenzijdige normen bedient, is bepaald zorgwekkend. Relevante literatuur is iets anders dan vacuümverpakte bellettrie.

door Frank Albers | | reacties | reageer hier

 

Hitler in Hoboken

Hitlerbashen: altijd lekker. Gezellig gevoel van eensgezindheid. Wij tegen het Kwaad. Hitler brengt de mensen dichter bij elkaar, wat je van hoofddoeken en de standaardtaal niet kunt zeggen. Over Hitler hoeven wij niet te discussiëren. Duivel met snor, punt. Niets of niemand zal onze knusse verontwaardiging verstoren. Wij hebben zelfs wetten die mensen verbieden te ijlen. (Hadden we maar méér van die wetten.) Komt daar een zogenaamd zelfstandige onthaalmoeder uit Hoboken vertellen dat ze Dolfs ideeën "goed" vindt. "Fenomenaal" zelfs. Het kieken.

Kreeg de hele pers over zich heen. Meteen verstoten uit het Vlaams Belang, dat beweerde mensen met zulke opvattingen niet te dulden. Alsof de zee zou zeggen: water? Nooit van gehoord. Zelfs Jo Van Deurzen werd kwaad. Binnen de 24 uur haar licentie kwijt. Wij opgelucht. Tijd voor belangrijker kwesties. Wie volgt Frank Vercauteren op ? Haalt Clijsters de finale?

Ten faveure van het kieken:
er zal toch een man voor je deur staan die zegt dat hij een kinderdagverblijf zoekt voor zijn dochter, en die later een reporter blijkt te zijn. Filmt stiekem je lelijke woonkamer, neemt je achterlijke praatjes op en toont dat de volgende dag allemaal op de televisie aan de bevolking. Je bent belazerd, in een val gelokt, in een hinderlaag gelopen. Zo zien wij dat niet natuurlijk. Wij noemen dit undercoverjournalistiek. Niet netjes, maar soms onvermijdelijk.

Mag alleen, zei de Raad voor de Journalistiek twee jaar geleden, als "de informatie, die de journalist op die manier hoopt te verkrijgen, een grote maatschappelijke relevantie heeft, zoals het geval is bij ernstige misstanden of schending van mensenrechten." (Er zijn nog drie andere voorwaarden.)

Toonde de reportage "ernstige misstanden of schending van mensenrechten" aan? No way. Uit niets bleek dat de bruine ideeën van het kieken haar werk als onthaalmoeder beïnvloeden. Er was geen kind te bespeuren, de vrouw werd niet in haar beroepsbezigheden gefilmd, er werden geen ouders geïnterviewd, geen buren, geen andere getuigen. Hier zat gewoon een tamelijk domme vrouw in gruwelijk Antwerps abjecte ideeën te verkondigen. Dit was een tooggesprek zoals je dat in vele cafés in Vlaanderen iedere avond kunt horen. Aantonen dat een onthaalmoeder kindjes verzorgt volgens de principes van het nazisme: dat had de reportage moeten doen, en dat zou de undercovermethode ruimschoots hebben verantwoord. Maar daar is de reportage niet in geslaagd. Dus moet je je de vraag stellen: was deze journalistieke camouflage wel geoorloofd?

Een zeurkous die daarom maalt. De reportage raakte twee blote zenuwen in de cultuur: Hitler (het absolute kwaad) en kindjes (de absolute onschuld). Zodra die twee met elkaar verbonden raken in een suggestief verhaal, verdampt elke zin voor nuance en zorgvuldig denken. Collectieve verontwaardiging smoort elke kritische interpellatie. Gin gezaaik zou het kieken in Hoboken zeggen. De duivel is uitgedreven. De licentie afgenomen. Het reglement van Kind en Gezin is aangepast: voortaan zijn nazistische symbolen in de crècheruimte expliciet verboden. Alleen een poster van Stalin mag nog, een foto van Pol Potje is oké en een buste van Leopold II op de commode: helemaal top.

De wereld is weer helder. Hitler heeft ons andermaal even verenigd. Gereinigd en opgelucht kijken wij nu met zijn allen uit naar wat onze meiskes zullen doen in de halve finales van de US Open. En de media, zij ijlden grinnikend voort, op naar de volgende scoop.

door Frank Albers | | reacties | reageer hier

 
Bedenkingen, kritieken en gemijmer bij boeken, artikelen, uitspraken en gebeurtenissen in alle tijden en op alle plaatsen door Frank Albers.