Nagelezen
Kafka in de kolonie
Van nachtrechtbanken en 'verborgen rechtvaardigen': lees en luister naar Kafka-Kurtag, aldus Joris Note.
Enkele weken geleden in het journaal: reportage over 'nachtrechtbanken' in New York, interview met een smalle nachtrechter. En de suggestie dat dit misschien een oplossing zou zijn voor Brussel! Hier had het etiket kafkaiaans eens terecht gebruikt kunnen worden - ik denk aan de nachtelijke verhoren in 'Het slot'. Dus werd het niet gebruikt.
***
Maar wat betekent zo'n stom woord naast Kafka's werk? Neem 'In de strafkolonie' (1919), dat onlangs samen met andere verhalen opnieuw vertaald werd. De kolonie ligt op een tropisch eiland; in een verlaten dal zal een reiziger-onderzoeker een executie bijwonen, maar eerst geeft een officier (rechter en beul) in het bijzijn van de veroordeelde en een soldaat-bewaker uitleg over de executiemachine en de gerechtsprocedure. De schuld staat altijd vast, en de beklaagde krijgt zijn vonnis niet te horen maar ondervindt het lijfelijk: het door hem geschonden gebod wordt door de machine met naalden in zijn lichaam geschreven. De tekst in kwestie is met de ogen onleesbaar - dankzij de uitzinnige versieringen, die het schrijven twaalf uur moeten rekken; na zes uur snapt het slachtoffer het en begint 'met zijn wonden' de tekst te decoderen; nog eens zes uur later heeft hij dat leeswerk voltooid, dan is hij dood.
Het apparaat is bedacht door de overleden 'oude commandant', maar tegenwoordig wordt de officier gedwarsboomd door de 'nieuwe commandant', die het hele systeem kwijt wil. Op de vraag van de officier om zijn zaak te steunen gaat de reiziger niet in, hij zal juist bezwaar aantekenen. Daarop laat de officier de veroordeelde vrij en neemt diens plaats in, nadat hij de machine opnieuw heeft ingesteld; hij wordt versneld ter dood gebracht, en het toestel vernietigt zichzelf. Naderhand laat de reiziger zich de grafsteen tonen van de oude commandant, die volgens een inscriptie ooit zal weerkeren: 'Gelooft en wacht!' De reiziger verlaat het eiland, maar de soldaat en de veroordeelde willen hem volgen, hij moet ze hardhandig tegenhouden.
Allicht worden de meeste lezers aanvankelijk vooral gepakt door de verbluffend zakelijke beschrijving van de foltermachine, die In de strafkolonie tot een van Kafka's ondraaglijkste meesterwerken maakt. En natuurlijk hebben de marteling en de (on)rechtsgang geleid tot frasen over Kafka als 'profeet' van toekomstige totalitaire gruwelen; mij best, maar ligt het niet méér voor de hand om te denken aan de destijds bekende gruwelen van het kolonialisme?
***
Het verhaal lijkt een tegenstelling te behelzen tussen de bloeddorstige officier en de afkeurende reiziger, die tegelijk de twee commandanten vertegenwoordigen: een onmenselijk oud en een menselijker nieuw regime. De veroordeelde en zijn bewaker zijn bijkomstig, domme en komische onmondigen, objecten en geen subjecten (maar ook zij vormen onderling een tegenstelling).
Klopt dat wel? Terwijl de officier argumenteert, vergeet hij de gepaste afstand, slaat hij 'zijn armen om de reiziger heen' en legt 'zijn hoofd op diens schouder'; hij krijgt zijn zin niet, maar in het vervolg blijkt de reiziger wel vol begrip en zorg voor hem; deze twee zijn meer solidair met elkaar dan je dacht. Anderzijds de soldaat en de veroordeelde: ze lachen en smoezen, 'alleen met elkaar bezig', zich amper inhoudend 'vanwege de aanwezigheid van de heren'. En eigenlijk zijn ze niet erg onder de indruk van onrecht en foltering. Soldaat en veroordeelde staan dus op hun beurt dicht bijeen, en ook dicht bij de arme arbeiders die aan het eind opduiken, en die glimlachen om het dreigende grafschrift van de oude commandant.
Kortom, het voornaamste contrast lijkt me dat tussen 'de heren' en de arme duivels. En moet de reiziger in de slotzin de twee mannen niet vooral bedreigen omdat hijzelf bang is voor hén?
Nog dit: het verhaal gaat ook over schrijven en lezen, die zich allebei voltrekken in tergende traagheid (zoals de literatuur), en op het scherp van de snede, onvrijblijvend.
***
Een andere Kafka. De door György Kurtág getoonzette 'Kafka-Fragmente' (1986), 40 minuscule teksten uit de dagboeken en brieven, voor sopraan en viool; ik heb geen taal om over muziek te spreken, maar ik vind het prachtig, en juist. Eerste fragment: 'De goeden houden gelijke tred met elkaar. Zonder weet van hen te hebben, dansen de anderen om hen heen de dansen van de tijd.' In het cd-inlegboekje herkent Thomas Bösche die 'goeden' als de lamedvovnik ; dat zijn volgens een joodse traditie de verborgen rechtvaardigen binnen elke generatie, de zesendertig eenvoudigen dankzij wie de wereld blijft bestaan - 'terwijl de "anderen", gevangenen van hun tijd, de juiste weg niet kunnen vinden'. Een wat moraliserende lezing, waarom niet? En hier is Kurtags 19de fragment: 'Niets van die aard, niets van die aard.' U moet dat horen!
Joris Note
Franz Kafka, 'De gedaanteverwisseling en andere verhalen', vert. W. van Toorn, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2009. En: G. Kurtág, 'Kafka-Fragmente' (Juliane Banse/András Keller), ECM Records, 2006.
|
| |
Kafka in de winter
Hoe kafkaiaans is Franz Kafka echt? Joris Note herlas 'Het slot' en moest vaststellen dat Kafka's naam maar al te vaak ijdel wordt gebruikt.
Niet alleen hebben we een liberaal ministerie dat zich officieel op Franz Kafka beroept, er gaat ook geen dag voorbij waarop niet een journalist of politicus die naam gebruikt, en meestal ijdel gebruikt. Alles wat slecht functioneert of nutteloos lijkt kan kafkaiaans genoemd worden, maar meestal is er bureaucratie of 'onverschilligheid van de staat' in het geding. Zijn dat de hoofdthema's in Kafka's werk?
Onzekerheid
Ik herlas 'Het slot', zijn laatste (onvoltooide) roman (1922), en ik dacht spontaan: nee, bureaucratie is bijzaak, een soort illustratie. En lijdt de hoofdfiguur wel onder de ambtenarij? Hij verzucht ergens dat de autoriteiten het hem vrij makkelijk maken, dat ze zo 'de strijd' vermijden en die verplaatsen 'naar het niet-ambtelijke, totaal onoverzichtelijke, troebele, vreemde leven'. Elders heeft een bepaalde brief niet het gewenste gewicht omdat hij persoonlijk en niet ambtelijk is. Dus: werden er maar méér dingen ambtelijk geregeld!? Het probleem is vooral dat de grens tussen het ambtelijke en de rest zoek is, alles loopt dooreen en alles dreigt, nergens een vluchtheuvel.
Het gaat om de totale onzekerheid. Ene K., als landmeter ontboden door een grafelijk slot, komt aan in het dorp dat ervan afhangt; hij probeert vergeefs dat slot te benaderen en zijn opdracht bevestigd te krijgen. Of noemt hij zich alleen maar landmeter? En is het slot wel een slot? Van dichtbij lijkt het op een stadje (een duplicaat van het dorp?), het zit vol beambten, en van een graaf is algauw geen sprake meer. Is het verhaal misschien symbolisch, de Mens op zoek naar zijn Bestemming, zoiets? Ja en nee, er is geen sleutel tot de betekenis, er is geen invalshoek die je 400 pagina's kunt volhouden: als lezer verlies je voortdurend de grond onder je voeten, net zoals K. Diens enige 'directe' verbinding met een slotbeambte is de bode Barnabas, die hem twee brieven brengt - maar wanneer zijn die brieven geschreven, en is Barnabas een echte bode, en werkt hij wel voor het slot?
Grap
Daarmee zitten we bij het element communicatie. Niet alleen het briefverkeer loopt mank: als je het slot opbelt rinkelen daar alle telefoontoestellen van de laagste afdelingen, of nee, ze doen dat niet want ze zijn afgezet, 'Maar af en toe heeft een oververmoeide beambte behoefte aan een beetje afleiding ... en zet dan de bel aan, dan krijgen wij antwoord, zij het een antwoord louter voor de grap.' Aan die woorden kun je dus geen conclusies aan verbinden, en waaraan wel, al K.'s contacten met het slot 'zijn maar schijn'. Intussen is het wel zo dat iedereen in dorp en ambtenarij alles weet over wat hij doet of zegt, en altijd komt hij er ongunstig uit: hij kan niemand vertrouwen, iedereen klikt.
Typisch voor het onzekerheidstotalitarisme van dit boek is ook dat je niet weet wanneer je iets fouts doet; K. moet een lange preek ondergaan omdat hij ergens aanwezig geweest is waar het niet mocht, dat gaat in de trant van: begrijp je dat zelf niet, heb je geen gezond verstand, moeten we jou echt alles uitleggen? Eerlijk gezegd, zo'n situatie komt me niet helemaal onbekend voor.
Liefde
In de helse winterwereld van 'Het slot' heeft de erotiek een grote plaats, al is dat niet het juiste woord. K. brengt zijn eerste nacht met de serveerster Frieda door onder de tapkast, tussen plasjes bier en rommel; later verblijven ze in een kamer waar anderen in- en uitlopen, of in een schoollokaal: geen spoor van intimiteit. Overigens blijken de vrouwen van het dorp zich immer beschikbaar te moeten houden voor de ruige 'heren' van het slot. Eén is er die geweigerd heeft, Amalia. Haar hele familie moet dat bekopen met uitstoting, en als onderdeel van pogingen tot rehabilitatie prostitueert haar zus Olga zich in een stal met de knechten van het slot.
Zijn die vrouwen beklagenswaardig? Olga zegt 'dat vrouwen niet anders kunnen dan van beambten houden als die eenmaal hun oog op ze laten vallen', misschien is dat het ergste. En is K. beklagenswaardig? Ja, tot op zekere hoogte, maar hij is zelf onbetrouwbaar, hij liegt, hij gebruikt mensen, Frieda is voor hem slechts een middel. Zelfs dit wordt ons niet gegund, een personage om van te houden of om op te bouwen.
'Het slot' is een ontredderend verhaal, en de vele komische passages veranderen daar niets aan; het is een verhaal waarin alles onveilig is, zowel voor de hoofdfiguur als voor de lezer. Het gaat minder over bureaucratie dan onze spraakmakers graag zouden willen, maar dat maakt het niet minder actueel. Of horen pseudoliefde en pseudocommunicatie niet tot de sinistere kanten van onze wereld? En dan zwijg ik nog over K. de vreemdeling, 'iemand die overtollig is en overal in de weg loopt', en over de overgevoelige heren die 'niet in staat zijn de aanblik van een vreemdeling te verdragen'. Lees eens een goed boek, excellentie.
Joris Note
Franz Kafka, 'Het slot', vert. W. van Toorn/G. Meijerink, Querido, Amsterdam, 1999 (Salamander Klassiek).
|
| |
Haïti volgens Aimé Césaire
Joris Note heeft er niets op tegen dat iedereen Haïti wil helpen, maar het zou toch geen kwaad kunnen om in deze emo-tijden Haïti ook wat te begrijpen.
Ik hoorde mevrouw Tanghe en meneer Wauters met tranerige bevoogdende stemmen declameren 'Haïti lijdt' en 'We moeten die mensen helpen', en ik werd bijna onpasselijk, maar als dat emo-toontje portemonnees kan openen, laat ze. Alleen, het zou voor de blijvende gezondheid van de Haïtianen en voor onze eigen geestelijke gezondheid beter zijn als we iets meer begrepen van wat daar de laatste twintig of honderd jaar gebeurd is. En dat begrijpen houdt ook in, ik zeg niks nieuws: de verpletterende verantwoordelijkheid beseffen van het IMF, de Wereldbank, Frankrijk, de VS. Her en der op het internet is daar genoeg over te vinden, maar ook in de krant en op de tv van het warmhartig gevende Vlaanderen? Buiten de opinierubrieken?
In een 'extra bijlage' van De Standaard (21/1) zou een journalist uitleggen waarom Haïti er zoveel slechter aan toe is dan de Dominicaanse Republiek, maar al wat hij deed was zonder inzicht een hoop quotes van wisselende kwaliteit aaneenplakken. De VRT bereikte het dieptepunt met een onwaarschijnlijk tendentieuze Panorama (24/1) waarin de val van Aristide centraal stond - het leek wel alsof de reportage eigenhandig door de propaganda-afdeling van het State Department geproduceerd was. Nee, de tv-voorstelling van de geschiedenis hoeft niet te beantwoorden aan mijn politiek gedacht , maar zo'n schreeuwende eenzijdigheid... Beweren dat je gaat tonen 'wat voorafging' en dan de democratiezucht van de Amerikanen verheerlijken, komaan zeg.
Revolutie
Over het begin, dus over het ingewikkelde verloop en de betekenis van de Haïtiaanse bevrijdingsstrijd (1791-1804), verneem je natuurlijk nog minder, en toch is dat een van de belangrijkste evenementen uit de wereldgeschiedenis. Immers, de universaliteit van de rechten van de mens werd niet in de Franse of de Amerikaanse maar in de Haïtiaanse revolutie echt in praktijk gebracht, doordat die een streep trok onder slavernij en raciale ongelijkheid. Vanuit een iets ander perspectief kun je stellen dat de Haïtiaanse revolutie het voornaamste 'onderdeel' was van de Franse Revolutie; ze veroorzaakte dan ook een van de grote breuklijnen tussen de revolutionairen én ze dwong hen tot afschaffing van de slavernij op het hele Franse grondgebied (1794).
Napoleon maakte dat ongedaan, maar Haïti kreeg hij niet in het gareel, zijn leger (dat expliciet uitroeiing beoogde) verloor daar in twee jaar 50.000 man. Voordat het zover was slaagden de Fransen erin de charismatische leider Toussaint Louverture te arresteren en te deporteren, in de zomer van 1802. Hij werd in barre omstandigheden gevangen gehouden in een fort in de Jura, waar hij in april 1803 bezweek.
Césaire
Maar er wordt literatuur van mij verwacht! Hier komt de literatuur.
De Martinikaanse dichter Aimé Césaire, een van de vaders van de Negritude-beweging, ondernam in zijn meesterwerk 'Cahier d'un retour au pays natal' (1939-1956) een queeste naar identiteit. Op een bepaald moment betuigt de ik van dat lange gedicht zijn betrokkenheid bij de hele zwarte wereld en zijn verankering in de zwarte geschiedenis. Hij zegt: dat is 'van mij', dat allemaal, en dus ook: Haïti où la négritude se mit debout pour la première fois et dit qu'elle croyait à son humanité : waar de negers zich oprichtten en hun menszijn bevestigden. Even verder wordt dan het einde van Toussaint Louverture geëvoceerd; het is een pakkende en ook uitdagende passage, waarin Césaire aan wit ( blanc ) en licht hun positieve connotaties ontneemt. Hier volgt een bijgewerkte (maar zeer amateuristische) versie van de bestaande Nederlandse vertaling:
Wat óók van mij is: een kleine cel in de Jura,
een kleine cel, de sneeuw versterkt hem met witte tralies
de sneeuw is een witte cipier die de wacht betrekt voor een gevangenis
Wat van mij is
is een eenzame man gevangen in wit
is een eenzame man die de witte kreten van de witte dood trotseert
(TOUSSAINT, TOUSSAINT LOUVERTURE)
is een eenzame man die de witte sperwer van de witte dood fascineert
is een eenzame man in de onvruchtbare zee van wit zand
is een oude nikker pal rechtop tegen alle hemelwater
De dood beschrijft een lichtende kring boven deze man
de dood flonkert zacht boven zijn hoofd
de dood blaast dol in het rijpe suikerrietveld van zijn armen
de dood galoppeert in de gevangenis als een wit paard
de dood blinkt in het duister als kattenogen
de dood hikt als het water onder de koraalriffen
de dood is een gewonde vogel
de dood neemt af
de dood wankelt
de dood is een schichtige pekari
de dood geeft de geest in een witte poel van stilte.
De naderende dood valt uiteindelijk samen met de doodgaande man, zo wordt dat gewoonlijk geïnterpreteerd. Maar is het niet mogelijk hier toch ook een overwinning op de dood te lezen?
In elk geval, wit is niet altijd even schoon.
Joris Note
Aimé Césaire, Logboek van een terugkeer naar mijn geboorteland, vert. S. Simonse, In de Knipscheer, Haarlem / Zuid, Brussel, 1985
|
| |
Machado's maskers
Joris Note over een van de meest intrigerende en modern aandoende romans uit de negentiende eeuw van de Braziliaan Machado de Assis.
Met 'Posthume herinneringen van Brás Cubas' (1880) schreef de Braziliaan Machado de Assis op 't eerste gezicht een wat excentrieke roman, die soms aan Laurence Sterne doet denken. Bijvoorbeeld, de 227 pagina's zijn ingedeeld in niet minder dan 160 hoofdstukken; een daarvan bestaat uit vijf regels vol puntjes, een ander uit één korte zin, die oppert dat het vorige hoofdstuk nutteloos is. Het excentriekste van al is wellicht het feit dat de verteller niet meer leeft, maar dat mogen we niet als een spelletje zien: alleen zo'n perspectief, meent de overledene, laat een 'openhartig' spreken toe.
Een levende mens moet van alles verbergen voor de anderen en voor zichzelf, maar in de dood kan hij 'zich ontdoen van schmink en sier, en eerlijk bekennen wat hij was en wat hij naliet te zijn'. Kortom, juist door het bizarre vertelstandpunt kunnen de Herinneringen dubbel en dik deelhebben aan een tendens van bijna alle 'realistische' 19de-eeuwse romans, de tendens om de schijn te doorprikken. Maar laten we op onze hoede zijn, want uit de commentaren van de opdringerige ik-verteller bij zijn verhaal blijkt dat hij er nog altijd op uit is 'goed over te komen'.
Absurditeit
Via zijn biografie-met-centrale-liefdesgeschiedenis schildert Brás Cubas een zwartgallig beeld van de condition humaine. Iedereen handelt uit eigenbelang en tracht waardevol te schijnen voor de publieke opinie en zijn eigen geweten, men klampt zich zielig vast aan illusies, zelfs de liefde is onecht, alles is zinloos... Die somberheid wordt ons toegediend op een meestal luchtige toon, met veel ironie, verbale virtuositeit en literaire verwijzingen, maar niettemin voel je je als lezer almaar onbehaaglijker bij het volstrekt lege leven ('vermoeienis zonder werk') dat met Cubas' visie samengaat. Zelf blikt hij niet echt ontevreden terug op dat leven, ondanks zijn mislukkingen (geen ministerschap, geen huwelijk, geen roem): och, er is geen bloed gevloeid, zware ziektes bleven hem bespaard, en hij had het geluk '(zijn) brood niet te hoeven verdienen in het zweet (zijns) aanschijns'.
Slavernij
Dat laatste staat er bijna terloops, maar misschien raakt het de essentie van deze prachtige, intrigerende roman. Cubas is inderdaad een telg uit de welgestelde burgerij van Rio de Janeiro, de samenleving op de achtergrond kent niet alleen veel armoede maar ook massale slavernij - en die werkelijkheid is duidelijk aanwezig in het boek, zij het meestal in korte passages. Maar onze verteller bevraagt en bespot zowat alles wat des mensen is, behalve de onrechtvaardige maatschappelijke orde; niet dat hij haar verheerlijkt, ze is gewoon een gegeven.
De zinloosheid van Cubas is slechts de zinloosheid van een klaploper; de zinloosheid van de armen is van een heel ander slag, zoals blijkt wanneer de verteller zich voorstelt hoe de ouders van het onechte kind Plácida haar bij de geboorte hadden kunnen begroeten: 'Wij hebben je geroepen om je vingers te branden aan de ketels, je ogen te verpesten met het naaiwerk, om slecht te eten of helemaal niet te eten, van hot naar her te rennen en te sloven, ... nu eens bedroefd, dan wanhopig, morgen berustend, ... tot je op een dag zult eindigen in de goot of in het ziekenhuis; daartoe hebben wij je geroepen, in een seconde van genegenheid.'
Politiek
Wanneer Cubas de vermeende wreedheid van zijn zwager vergoelijkt, zegt hij dat die 'in zijn lange loopbaan van clandestiene slavenhandelaar' nu eenmaal gewend was geraakt aan de in zijn branche gebruikelijke ruwheid, 'en men kan toch niet met goed fatsoen aan iemands inborst toeschrijven wat louter gevolg is van bepaalde maatschappelijke betrekkingen'. Cubas koestert dus de onverantwoordelijkheid. Zijn aanvaarding van het systeem valt des te meer op omdat hij in de politiek gaat: hij wordt kamerlid, richt als zodanig niets uit totdat hij een ministerschap wil, en houdt dan een speech met het voorstel... om de pet van de Nationale Garde te veranderen. Aan 'maatschappelijke betrekkingen' wenst hij heus niet te tornen, wees gerust.
Ik denk dat je de ontmaskerende pose van de verteller dus mag beschouwen als een nieuw masker; zijn woorden, die de 'existentiële' onzinnigheid van het menselijk leven blootleggen, bedekken tegelijk de verkeerdheid van een menselijke samenleving. Degene die dat mechanisme toont, is niet de verteller Cubas maar de schrijver achter hem, Machado.
Posthume herinneringen werd in 1983 mooi vertaald door wijlen August Willemsen; hij zorgde tevens voor een informatief maar langdradig nawoord, dat volgens mij te weinig onderscheid maakt tussen schrijver en verteller. Willemsen verdedigde Machado ook tegen allang tot stof vergane moraliserende critici, en liet zich daarbij gaan in een dwaze tirade tegen iedereen die zo gek is ergens in te geloven. Op dat punt was hij helaas zijn tijd vooruit.
Joris Note
Machado de Assis, Posthume herinneringen van Brás Cubas, vert. A. Willemsen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1983; herdruk: Veen, Amsterdam, 2009
|
| |
Omar Khayyâm zonder franje
Op frivole momenten zongen ze in de jeugdbeweging van 'Zie de boerinnekes hun rokskes zwaaien'. Joris Note over de nieuwe vertaling van de klassieke Perzische poëzie van Omar Khayyâm.
Op frivole momenten zongen we in de jeugdbeweging van 'Zie de boerinnekes hun rokskes zwaaien' en 'Als we dood zijn is 't gedaan', wat naadloos overging in 'En als we dood zijn groeit er gras op onzen buik!' Ik dacht daaraan toen ik in een nieuw bundeltje met verzen van Omar Khayyâm dit tegenkwam: 'Een lenteregen doet de tulpenwangen blinken, / sta op en neem je voor flink te gaan drinken! / Weet dat het gras waarop wij ons vermaken / straks uit ons groeit, als wij in de aarde zinken.' De associatie met dat dwaze liedje past nog beter dan ik kon vermoeden, want blijkens het nawoord van J.T.P. de Bruijn sluiten deze kwatrijnen nauw aan bij Perzische volkspoëzie.
Stof en oog
De geschiedenis is bekend: de Engelse versies van Omar Khayyâm (1048-1131) die Edward FitzGerald in 1859 publiceerde, leidden tot een rage in zowat de hele wereld. De meeste vertalers vertaalden op hun beurt FitzGerald, maar in ons taalgebied waren er begin vorige eeuw twee grote dichters, P.C. Boutens en J.H. Leopold, die hun Omar uit alternatieve bronnen distilleerden. Het resultaat is, samen met die bronnen en FitzGerald, hier te vinden.
Bij De Bruijn (die eerder al een prima boek met klassieke Perzische poëzie bezorgde, 'Een karavaan uit Perzië') valt te leren dat Omar Khayyâm faam genoot als wiskundige en astronoom, maar dat geen mens weet of (sommige van) de 1200 kwatrijnen die op zijn naam staan echt door hem gemaakt werden; het was immers gebruikelijk om zulke verzen toe te schrijven aan beroemde personen. Conform hun 'volkse' aard zijn de kwatrijnen doorgaans simpele, directe gedichten, anders dan de juweeltjes die onze poëten ervan maakten; wie dweept met Leopold kan dus ontgoocheld worden bij De Bruijn, en moet zich ermee troosten dat de nieuwe versies dichter bij het origineel staan. Overigens koos de vertaler niet dezelfde kwatrijnen als Leopold en Boutens, maar teksten uit oudere bronnen, die destijds nog onbekend waren. Soms is er wel sterke gelijkenis, zoals bij het volgende voorbeeld, dat ik direct laat volgen door een prachtexemplaar van Leopold:
Dagen en nachten zijn er altijd al geweest,
het hemelrad al zo lang in gang geweest.
De hele aarde, waar je je voet ook zet,
is grondstof voor een stralend oog geweest.
Duizende dagen doofden er hun licht
in duizend nachten. Dus uw voet zij licht
voor dit dof, glansloos stof; het was eenmaal
de stralende oogbal van een vrouw wellicht.
Gepensioneerd
De Bruijn vertaalde 68 kwatrijnen van Omar, en 32 van collega-dichters uit dezelfde tijd; die laatste zorgen soms voor variatie in toon en tendens - gelukkig maar, want Omar neigt naar monotonie. Zijn thema's: zinloosheid van het bestaan, onbegrijpelijkheid van de wereld, onvermijdelijkheid van onze terugkeer tot stof... Dat mondt allemaal uit in onvermogen: we kunnen er niets aan doen, laten we genoegen nemen met schoonheid, wellust en vooral wijn. Het lijkt, met alle respect, soms een nogal gepensioneerde levensvisie, die zich bijwijlen ook lichtelijk onnozel uitdrukt: 'Je weet toch dat het leven niet zo lang zal zijn? / Geniet maar rustig van je glaasje wijn. / Het kan geen kwaad, het heeft althans één voordeel: / je bent voor even vrij van het bewuste zijn.' Meestal is het beter.
Leopold zag in Omars opvattingen een heroïsche, compromisloze aanvaarding van zinloosheid en menselijke onmacht, een weigering van maatschappelijk gangbare opvattingen. Dat klinkt ook door in dit kwatrijn van De Bruijn: 'Let niet op hen die dit bestel aanvaarden, / maar drink een koppig glas met fijnbesnaarden. / Zovelen die de hoogste top begeerden / Zijn weg en zie je niet terug op aarde.'
Rijmen
De dood lijkt bij Omar vaak elke inspanning futiel te maken. De mysticus Sanâ'i daarentegen zegt: 'Ben je met het verborgene vertrouwd geraakt, / dan vrees je de dood niet, je bent ontwaakt.' Geen denderende verwoording, maar ik kan me er wel in vinden; want de alles fnuikende dood hoort slechts bij ons leven als dier, en de zinloosheid verliest haar zwaarte als we gegrepen worden door een 'geloof' of een 'ideaal' die ons groter maken. Zo krijg je zicht op een ander soort heroïek.
Los daarvan, De Bruijn geeft ons een heldere, leesbare Omar Khayyâm, hoewel een aantal van deze rijmen de naam gedicht niet echt verdienen. Geen erg voor wie bereid is het boekje te benaderen als een literair-historisch document, maar voor waarlijk grote poëzie blijft Leopold onmisbaar.
En daarnaast... Laat ik gauw nog onze national treasure Hubert van Herreweghen binnensmokkelen. In zijn recente 'Webben & wargaren' staan enkele mooie kwatrijnen, waaronder deze 'Doka':
Een wolk schuift over een andere wolk,
dan stroelt een fasces zonnelicht daarover
en dansen witte geuren schuim, een tover,
als toen de meid de geitenmoeder molk.
Joris Note
'De ware zin heeft niemand nog verstaan: Kwatrijnen van Omar Khayyâm en andere Perzische dichters', Perzisch met vertaling en toelichting van J.T.P. de Bruijn, Bulaaq, Amsterdam, 2009, € 19,50.
ISBN: 978-90-5460-112-8
|
| |
Groene Brecht
Zou Bertolt Brecht als politiek dichter ecologische roots hebben gehad? Joris Note peilt ernaar.
O wee: 'Ik zal de halmen niet meer zien / noch binden ooit de volle schoven...' Nadat een politicus zich weer eens op magere gronden 'De ploeger' van Roland Holst heeft toegeëigend, mag er misschien herinnerd worden aan een écht politiek gedicht, dat eveneens de gedachte bevat van 'wij werken nu, het resultaat komt later'.
Ik bedoel 'An die Nachgeborenen' van Bertolt Brecht, met de beroemde regels: 'Ach, wij / Die werkten aan een grondslag voor vriendelijkheid / Konden zelf niet vriendelijk zijn.' (Vert. Stefaan van den Bremt.) Letterlijk heeft Brecht het over den Boden bereiten , ook hij gebruikt dus een landbouwmetafoor.
Brecht was communist, maar zoek geen domme rechtvaardiging van het stalinisme in zijn woorden: ze dateren uit de antinazistische strijd.
Linkse bomen
Kunnen we nog iets aanvangen met Brechts werk? Ik denk het wel, als we maar, zoals hijzelf zijn lezers en toeschouwers leerde, vragen stellen en dubben bij elk woord.
In het gedicht voor het nageslacht staat ook deze, al even befaamde passage: 'Wat zijn dat voor tijden, waarin / Een gesprek over bomen haast een misdrijf is / Omdat het zwijgt van zoveel wandaden!'
Toen Brecht dat schreef stond ecologie nog niet op de agenda, hij wist nog niet dat misdaden ook op bomen gepleegd kunnen worden. Dat veranderde. In 1977 al verscheen bij een linkse Duitse uitgever een bundel teksten met de titel 'Waarom een gesprek over bomen vandaag geen misdrijf meer is': links was bezig de milieuproblematiek te ontdekken, Brechts fraaie zin leek voortaan alleen nog ironisch geciteerd te kunnen worden.
Maar intussen staan we weer wat verder, natuurbehoud werd tot een vaak dubieuze industrie en ideologie, een terrein - om te spreken met Jef Geys' bijdrage tot de Biënnale van Venetië - van 'schijnbaar oprechte mensen die "begaan" zijn en vrienden oplichters die geld willen verdienen met schuldgevoelens aan te reiken en ze nadien te exploiteren'. Links zou nu moeten oppassen als het over bomen praat, Brechts woorden zijn op een eigenaardige manier opnieuw de juiste geworden.
Kwaad en moeite
Brecht actueel? De vraag leeft niet alleen bij mij, zie bijvoorbeeld het essay van Roberto Schwarz dat onlangs in de New Left Review stond ('Brecht's Relevance: Highs and Lows'). En verder heb je natuurlijk de politieke filosoof Slavoj Zizek, die in zijn grillige en bijna ontelbare maar altijd stimulerende boeken dikwijls slim gebruik maakt van Brecht. Zo haalt hij in het recent vertaalde 'Violence' onder meer 'Het masker van het kwaad' (1942) aan:
Aan mijn muur hangt een Japans houtsnijwerk
Het masker van een kwade demon, bestreken met goudlak.
Met medegevoel zie ik
De gezwollen voorhoofdsaders, die aanduiden
Hoeveel inspanning het vraagt kwaadaardig te zijn.
Nog altijd werkt dit vers verwarrend en aanstootgevend. Er is nochtans een doodbrave lezing mogelijk: het kwaad vraagt moeite omdat de mens van nature (dus zonder extra moeite) goed is; maar dat lijkt lastig te rijmen met de identificatie van de dichter, het 'medegevoel'.
Toch zit er enige waarheid in die interpretatie: de mens is inderdaad goed, maar hij is tevens slecht, naargelang van de omstandigheden. Shen Te, 'de goede mens van Sezuan' in Brechts gelijknamige toneelstuk, kan niet altijd goed zijn, de materiële nood dwingt haar om soms in een kwade rol te vluchten; dat kost haar grote moeite, maar anders zou ze haar goedheid niet overleven.
Als je nu denkt aan een politiek streven, kom je weer uit bij de opgeschorte vriendelijkheid van daarnet: met louter goedheid kun je het goede niet bereiken, je zult soms zelfs spontane 'menselijke' reflexen moeten onderdrukken. Op nog een ander en gewoner niveau: het vraagt blijvende inspanning om dag in dag uit met gepast wantrouwen het nieuws en de opinies van de media te volgen, inspanning om niet zomaar te aanvaarden wat ze je vertellen, om niet te berusten.
Nadenken
In 'Violence' maakt Zizek met Brechts tekst een vergelijking: zoals het inspanning kost om 'slecht' te zijn, zo kost het inspanning om geweld te gebruiken dat efficiënt het maatschappelijke systeem ondermijnt. Het gaat dan, simplistisch gezegd, om het verschil tussen in politieke zin verstandig geweld en dwaas geweld.
Een recent voorbeeld: naar het schijnt wilde de man die in november een bloedbad aanrichtte in de legerbasis Fort Hood protesteren tegen de eeuwigdurende Amerikaanse oorlogen, maar hij had zich (los van morele consideraties) onvoldoende ingespannen om efficiënt te protesteren. Had hij dat wel gedaan, dan had hij wellicht helemaal geen geweld gebruikt.
Een heel ander voorbeeld, los van fysieke agressie: wie de oorzaak van de economische crisis wijt aan excessen van hebzuchtige individuen, doet niet genoeg moeite, is op luie wijze kritisch, is niet op de goede wijze slecht. Telkens weer heet de inspanning: studeren en nadenken.
Joris Note
|
| |
Joseph Zobels dolle zon
Joris Note zal in 'Nagelezen' regelmatig ten onrechte vergeten boeken in herinnering brengen: deze week 'Negerhuttenweg' van de Martinikaan Joseph Zobel.
Laten we het ver van huis zoeken, bijvoorbeeld bij de Martinikaan Joseph Zobel (1915-2006. In 1950 publiceerde hij 'La rue Cases-Nègres', een van de klassieken van de Antilliaanse literatuur, later met succes verfilmd. Begin jaren negentig kreeg het boek zowaar een Nederlandse vertaling, in de reeks derdewereldromans die gepatroneerd werd door de ontwikkelingsorganisaties NOVIB en NCOS; hoewel er soms wat neergekeken werd op die serie, gaf ze aan menige goede auteur de kans om onze ogen te openen: Wole Soyinka, Sembène Ousmane, Patrick Chamoiseau...
Autobiografie
'Negerhuttenweg' is deels geïnspireerd door Zobels eigen jeugd, en voelt (bedrieglijk) meer aan als een autobiografie dan een roman. Het jongetje José woont op een suikerrietplantage bij zijn grootmoeder m'man Tine, een wiedster, terwijl zijn moeder in de hoofdstad wat geld probeert te vergaren als dienstmeid. Kleurrijk genoeg, dit kleinekinderleven, met veel kattenkwaad en magie, maar straatarm: geen schoenen, bijna geen kleren en woonruimte, amper genoeg te eten. Josés favoriete volwassene is monsieur Médouze, 'de oudste, de armste, de eenzaamste man', die woont in 'de kaalste en smerigste hut'.
Allereerst is die oude neger een vaderfiguur, een grote vriend die raadsels opgeeft en verhalen vertelt; Josés echte vader is, zoals zovele koloniale onderdanen, in 1914 naar de oorlog in Frankrijk gegaan en niet teruggekeerd. Maar Médouze vertegenwoordigt ook iets anders: zijn eigen vader had de slavernij nog gekend en na de afschaffing ervan (1848) geconstateerd dat er niets veranderde: de blanken 'bleven eigenaar [...] van alle grond in het land, en wij bleven voor hen werken', voortaan zonder zweep maar ook zonder fatsoenlijke betaling - en zo is het nog altijd in het Martinique van de jaren twintig.
Noodlottige weg
Het eerste deel van de roman eindigt ermee dat Médouze dood gevonden wordt op het veld; José zal geleidelijk begrijpen dat hij vernietigd is door het werk en de werkomstandigheden, en dat iets soortgelijks zijn m'man Tine te wachten staat. En later allicht ook hemzelf, want de normale, 'noodlottige weg' van jongetjes als hij is om op hun beurt in de suiker te gaan werken, enzoverder enzovoort. De velden waren 'een oord van verdoeming, waar beulen die je niet eens kon zien negers vanaf hun achtste jaar veroordeelden tot een leven van wieden en spitten, in storm en regen zodat ze verlepten, of onder een brandende zon die hen als een dolle hond verslond; negers in lompen [...] die veranderden in meelijwekkende monsters met doffe ogen en benen zwaar van de elefantiasis, gedoemd op een avond in elkaar te zakken in een voor, en de laatste adem uit te blazen op een smerige plank op de vloer van een lege, gore hut.' De vloer ligt op Franse grond, in de twintigste eeuw.
Maar oma en moeder hebben er letterlijk alles voor over om de jongen een toekomst te geven, 'Negerhuttenweg' is een typisch verhaal over emancipatie-via-leren. In deel twee zit José in de lagere school, wat uitloopt op een beurs voor het secundair onderwijs. In deel drie woont hij bij zijn moeder in Fort-de-France en bezoekt hij het fameuze lyceum Schoelcher, waar hij zich verloren voelt tussen rijkere jongens die niet eens weten wat een plantage is; 'Weinig interessante leerling', staat er op zijn eerste rapport, en wanneer hij het beroep van zijn oma moet noemen begint hij te hakkelen: 'daar had je in het Frans vast geen woord voor'. (Terloops: Zobels veel beroemdere, een paar jaar oudere landgenoot Aimé Césaire ervoer op hetzelfde lyceum een vergelijkbare vervreemding.) José blijft in zijn nieuwe leven trouw aan het vroegere: zijn beste vrienden zijn geen scholieren maar bediendes, en hij neemt zich voor met zijn diploma een menswaardig leven te bezorgen aan moeder en grootmoeder. Maar voor m'man Tine zal het te laat zijn.
Onthouden
De dood van de oma als slot: het lag wat al te zeer voor de hand. 'Negerhuttenweg' heeft zwakke kanten, bevat enkele te voorspelbare of te clichématige dingen, vooral in deel drie. Maar het boek is niet klagerig of sentimenteel, en het blijft voortdurend de moeite waard, niet in de laatste plaats als getuigenis over onheil dat nog geen eeuw geleden plaatsvond onder West-Europese auspiciën: het is beter daar iets van te weten dan er niets van te weten, het is beter dat we daar af en toe over lezen om het te onthouden.
Overigens, er zijn prachtige taferelen waarin een vitale tegenkracht doorbreekt. Bij een meertje komen op zondag plantage-arbeiders zichzelf én de paarden van de bazen wassen, en zo krijg je centauren: 'Iedereen kleedde zich uit, stapte op zijn paard en dreef het dier het water in. Het dook onder, verdween in het water, zwom met het hoofd omhoog; en het bovenlichaam van de man dat nu boven het water uitstak, riep het beeld op van die figuur die ik van de vermicellipakjes kende - half paard, half mens.'
Joris Note
Joseph Zobel, Negerhuttenweg, vert. J. Rijnaarts, Ambo, Baarn, 1991.
|
| |