De verbijsterende terugkeer van de profeet
KNACK 7 februari 1979
Met de terugkeer van de Ayatollah Khomeiny in Iran wordt concreet het probleem gesteld van de Islamitische republiek die hij wil oprichten. Is dat een terugkeer naar de donkere Middeleeuwen of is dat een politiek project?
©Iran va Yahan
Wie de nieuwe opgang ziet die de Islam in de wereld maakt, krijgt de indruk dat het een, mogelijk origineel, politiek project is. Per donderdag één februari is de Ayatollah Khomeiny, na een ballingschap van vijftien jaar, weer in Iran aangekomen. Hij is daar verwelkomd door een ontvangstcomité van om en bij de zes miljoen simpele mensen die, te voet en met wat er ook aan transportmiddelen voorhanden kon zijn, mee de 33 kilometer van het vliegveld naar het kerkhof - de begraafplaats, moeten we zeggen - van Behesjt-Zahra afgelegd hebben.
Laten we zeggen dat er ook een deel uit Teheran zelf gekomen zijn, en uit de belendende gebiedsdelen. Sinds een week was er trouwens, in dit door een ei zo na algemene staking totaal verlamde land, een toevloed gemeld naar Teheran toe, van duizenden, tienduizenden, misschien miljoenen aanhangers van de Ayatollah.
Op Behesjt-Zahra, 'de begraafplaats van de martelaars', waar het gros van de doden die in Teheran gevallen zijn de laatste maanden, begraven ligt in een monotone vlakte die bezaaid is met kleine terpjes of symbolische platte stenen, heeft de Ayatollah, die zich verplicht gezien had zich per legerhelikopter naar het simpele verhoog te laten brengen, zijn eerste officiële toespraak in Iran gehouden.
Hij heeft er klappen uitgedeeld. Aan de Sjah en zijn familie, uiteraard en dan aan premier Sjapoer Bakhtiar en zijn regering: 'Die meneer wordt noch door zijn voormalige kameraden, noch door het leger aanvaard. De militairen ondersteunen hem alleen op bevel van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Die meneer heeft gezegd dat er in één land geen plaats is voor twee regeringen. Goed. Dat hij dan weggaat en op zijn plaats gaat zitten'.
Hij heeft gezegd dat de Sjah nooit zal terugkomen, dat de regering en het parlement evengoed illegaal zijn, en voor het gerecht moet verschijnen. Hij heeft een oproep gericht aan het leger: 'Wij willen uw onafhankelijkheid, mijnheer de generaal, mijnheer de kolonel, wilt u niet onafhankelijk zijn? Is u liever knecht (...) Wie zei er dat wij u wilden verjagen? Wij willen het leger behouden, maar dan een leger dat in dienst staat van het volk, niet in dienst van anderen.'
Hij was pessimistisch: 'We gaan twintig jaar nodig hebben om er weer bovenop te komen.' Maar: 'We zijn niet tegen de televisie, tegen de film, tegen de modernisering, maar we zijn tegen het imperialisme. We zijn niet tegen de vrijheid voor de vrouwen, maar we zijn tegen de prostitutie. We zijn niet tegen samenwerking met het buitenland, maar we willen baas zijn in eigen huis.'
De Ayatollah is weer bij zijn mensen, en voor zes miljoen van die mensen heeft hij zijn eerste ordewoorden gelanceerd: politiek doortastend, en voor de rest voorzichtig, tot kalmte aanmanend zou men kunnen zeggen. 'We zijn niet tegen... maar...'
Er is natuurlijk niets in Iran dat tot veel kalmte aanleiding geeft, en zowel de politieke ordewoorden als de plaats waar die gelanceerd zijn, illustreren dat de oorlog met de aankomst van Khomeiny niet gedaan is, in tegendeel, dat hij pas begint.
©Iran va Yahan
Want wat kan er komen na de Sjah? Er is nog altijd de regering van Bakhtiar, die weg moet en die niet weg wil. Er is nog altijd het leger, gecontroleerd, niemand weet nu nog precies in welke mate, door de VS en waarvan stukken onvoorwaardelijk trouw zijn aan de Sjah. Er is nog de SAVAK en zoveel andere dingen die opgeruimd moeten worden, als ze al opgeruimd kunnen worden.
En dan, dan moet er weer opgebouwd worden, en hoe en in welke richting zal dat gaan? Men kan zeggen en hopen wat men wil, maar in Iran zijn enerzijds alle tegenstellingen aanwezig die de Islam in de rest van de wereld kenmerken, alle sekten, en alle verschillende interpretaties en stromingen binnen de grote scheuring, anderzijds heb je er ook de linksen, de rechtsen , de liberalen, de gematigden, de hele panoplie van het parlementaire Westen.
Wat de Ayatollah en zijn volgelingen willen, is een Islamitische republiek, maar er zijn er anderen die daar niet zo opgezet mee lijken, die zeggen dat ze de Sjah en zijn dictatuur niet verjaagd hebben om direct aan een nieuwe dictatuur te beginnen.
Er is Sjapoer Bakhtiar die ten behoeve van het Westen zegt dat hij premier is er premier zal blijven, en dat hij zich niet zal laten verjagen door één of andere paus - een Bakhtiar die duidelijk te kwader trouw is. Er is het kapitalistische Westen dat ontzet verneemt dal Israël en Zuid-Afrika niet meer op Iraanse olie moeten rekenen, en wie weet wat er nog in het vet ligt. En er is Westers links dat zich zorgen maakt over "het obscurantisme" en over de sluiers van de Iraanse vrouwen. De vraag is dan, aan wie gaat de Ayatollah in zijn verdere actie gelijk geven?
De opkomst van de Islam
Tot nog toe, en dat mag normaal heten, heeft de onuitroeibaarheid van de Islam aan Westers links meer verdriet bezorgd dan aan het Westers kapitalisme. Met Turkije als voorlopige uitzondering hebben de nieuwe regimes van de Mohammedaanse derde wereld altijd de Islam aangehouden als zoniet determinerende, dan toch zwaar doorwegende politieke factor.
In de Maghreb zijn zowel het rechts-bureaucratisch-autoritaire Tunesië, het links-bureaucratisch-autoritaire Algerije als de Marokkaanse monarchie van Hassan II en zijn doodsvijanden, het Polisariofront van de RASD, of de democratische Arabische Saharawi-republiek in de Westelijke Sahara, regimes die zich op de Islam beroepen.
In Libië lanceert kameraad-kolonel Khadafi het ene revolutionaire groene boek na het andere, alles in naam van de meest 'integristische' Islam, mét de nodige excessen. Excessen als in Saoedi-Arabië, aanvoerend land van de Arabische reactie, als in Pakistan onder het fasciserende regime van de militairen, als in sommige Golf-staten.
In Egypte en zelfs in het door Kemal Atatürk gelaïciseerde Turkije zijn er rellen - maar er is tot nog toe in de twintigste eeuw geen enkele islamitische republiek gemeld die als model kan staan voor een moderne, progressieve derde-wereldstaat. De Islam is, met inbegrip van de demagogiestaten Libië en Algerije, algemeen vereenzelvigd met de reactie, met op zijn minst behoudsgezindheid.
De uitzondering was het Polisario, maar daarvan werd dan, met de neerbuigendheid van voormalige katholieken, gezegd dat de marxistische leiding daarvan 'de Koran door de bloem haalt', vooraleer hem in olijfolie te bakken. Waar het kapitalisme, het imperialisme, zoals dat heet, meestal baat hebben gevonden bij het gedijen van de Islam, heeft de linkerzijde dat ongeveer nooit gehad. Of zo leek het toch, misschien is ergens een misverstand opgetreden.
©Iran va Yahan
Misschien heeft de linkerzijde, die zich in naam op Marx beroept, nooit veel verstand gehad van de Islam, misschien heeft Marx zijn fameuze formule over de 'opium voor het volk' wel de wereld ingestuurd zonder precies te weten waar hij het over had.
Wat Marx en de linkerzijde met de door hen bestreden burgerij gemeen hadden, is de opvatting dat de Islam de Arabische - of "oriëntaalse" parallel is van het Christendom: een kerk die de mensen doet hopen op de hemel, het leven na de dood, om het leven op aarde gemakkelijker te kunnen vergeten.
De koloniale tijden zijn daar overheen gegaan, de Russische revolutie is mislukt en het neokolonialisme geïnstalleerd, en de musulmannen hebben dat allemaal aangekeken. En nu is men wel verplicht tot het besluit te komen dat ze het failliet van de twee systemen gezien hebben. Het failliet van het kapitalisme, dat bij hen grondstoffen kwam weghalen en montagefabrieken neerzetten, vanwege de lage lonen, en niemand is daar tot nog toe mee uit de put geraakt.
Het 'echt bestaand socialisme' aan de andere kant, dat wil dan zeggen de Sovjetunie, nog afgezien van het feit dat het zich afficheert al: een atheïstisch - en dus anti-musulmaans - bestel, en dat het de musul mannen in de centraal-Aziatische republieken het leven lastig maakt, is in de ogen van de Islam-landen alleen nog maar goed om bijvoorbeeld wapens te leveren. Als maatschappelijk mode stelt het stalinistische socialisme voor Islamieten niks voor - even weinig om precies te zijn, als voor een arbeider bij ons.
Daar komt nog bij, en dat hebber onze musulmannen wel degelijk in de gaten, dat de 'Moskovs', zoals ze zich noemen in Iran en in Turkije, er steeds minder in slagen hun Islamitische nationaliteiten te controleren, laat staan te 'socialiseren', dat ze, in tegendeel hoe langer hoe drastischer ingepakt worden door die nationaliteiten, voor wie Marx een 'tweederangsprofeet is ergens tussen Jezus en Boeddha' - wat dus wil zeggen, lang niet zo belangrijk als Mohammed.
Voeg daarbij dat, als de huidige demografische lijnen doorgetrokken worden, in de Sovjetunie van het jaar tweeduizend één inwoner op twee een moslim zal zijn, dat de moslimautoriteiten daar nu al genadig erkennen dat Marx een bewonderenswaardig persoon was omdat hij zoveel goede dingen uit de Islam heeft weten over te nemen, en je hebt de grote lijnen van de terugkeer van de profeet zowel ten Oosten als ten Westen van het voormalige IJzeren Gordijn.
De gemeenschap van de moslims
Hierbij zijn, in een hopeloos, ook al kan men het helaas ook wel begrijpen, europaocentrisme, alle westerse stemmen het erover eens dat die nieuwe doorbraak van de Islam ten eerste onbegrijpelijk is, en ten tweede een catastrofe. Wie het daar niet over de olie heeft, die heeft het, zoals gezegd, wel over de vrouwen. Het is een feit dat de moslims veel olie hebben, en ook dat zij de reputatie hebben hun vrouwen slecht te behandelen.
Het is evengoed een feit dat wie erop staat de Islam te zien zoals hij werd voorgesteld in de populaire romans van de jaren dertig: geen enkele kans maakt om het gemeenschapsaspect en de door-en-door politieke bezorgdheid ervan te begrijpen.
Het is waar dat de meerderheid in de Islam het heeft over de enige God, over de openbaring en het laatste oordeel (waarbij er nooit zoveel nadruk gelegd is op de hel als bij ons), terwijl de Sji-itische minderheid daar het 'recht' aan toevoegt, maar dat mag op geen enkele manier versluieren dat dit een godsdienst is die, zeker zoveel als met God en Zijn heiligen, constant en traditioneel bezig is met het organiseren van de maatschappij.
©Iran va Yahan
Men kan immers geen moslim zijn zonder tot een moslimgemeenschap te behoren, net zomin als men communist kan zijn zonder tot een communistische organisatie te behoren, en de wetten en de interne solidariteit van die gemeenschap in de praktijk te brengen. De Islamgemeenschap is gebouwd op de solidariteit van de gelovigen, die rust op de solidariteit van de familie, van de groep, van de stam - en ze veronderstelt vanuit die hoek dan ook een hoge mate van democratie. Vertaald: inspraak van het volk, van de gelovigen. Democratie die al dan niet in de praktijk kan gebracht worden.
Het punt is hier dat de gemeenschap en de organisatie daarvan - dus, in meerdere of in mindere mate, de staat - tot het terrein van de Islam behoren. Dat er hier veel minder dan bij ons sprake kan zijn van een scheiding van kerk en staat, precies omdat de kerk van in het begin, van bij Mohammed, met de staat versmolten is geweest, en dat de degeneratie van de godsdienst precies in die scheiding tot uiting is gekomen.
De Islam is dus wars van elke dictatuur, ongeveer zoals het christendom wars is van haat - en in deze dubbele onwaarheid dient men erop te letten dat de zaak bij de Islam op het politieke vlak gesteld wordt, en bij het Christendom op het emotionele vlak. Deze instelling maakt het voor de Islam mogelijk reëel tussen te komen in de politiek of, voor wie dat liever hoort, in het organiseren van de gemeenschap van de gelovigen (de ongelovigen hebben in princiep de vrije hand om zich te organiseren zoals zij dat willen).
Tussen te komen dus, bijvoorbeeld zoals de Sji-iten dat in Iran gedaan hebben en doen. Die Sjiïten, dat is nog een ander kapittel. Die hebben, zoals gezegd, "recht", als vierde punt in hun vaandel staan. Die zijn van oudsher vervolgd geworden, uitgemoord en verdrukt, om heel simpele redenen: voor de volgelingen van Ali is het immers zo dat de staatsmacht slechts wettig kan zijn als ze gegeven is door God. Dat wil zeggen, aan een nakomeling van de profeet. Aangezien er geen nakomelingen bekend zijn, is elke staatsmacht onwettig, in afwachting van de terugkomst van de twaalfde, de "verdwenen Imam". Dat wil zeggen, in afwachting van het laatste oordeel.
Hier heeft een Sjiïet dus twee mogelijkheden. Hij kan het onwettige regime waaronder hij leeft gelaten ondergaan in de wetenschap dat de Sjah in kwestie rechtstreeks op weg is naar de hel, vermaledijd als hij is door het Boek, door de profeet en door miljoenen Sjiïten, of hij kan op een mooie lentemorgen beslissen dat het nu welletjes is geweest. De twee houdingen wisselen mekaar af.
De Sjiïten die indertijd de sekte van de Hasjisjins opgezet hebben, die tot taak hadden alle machthebbers zonder onderscheid - aangezien ze allemaal even onwettig zijn - te gaan vermoorden, en waar het Franse woord assassin of moordenaar vandaan komt, die hebben ook tientallen jaren, ja honderden jaren lang Sjahs boven zich geduld tot ze, in de jaren twintig van deze eeuw, later in de jaren veertig en vijftig en dan definitief, beslist hebben dat de usurpator op de pauwentroon - die trouwens verwijst naar heidense godsdiensten - dit keer écht weg moest.
De definitieve revolte van de Sjiïten tegen hun Sjah is begonnen in de jaren 1890. In 1891 verkocht de toenmalige Sjah het tabaksmonopolie van zijn land aan een Engelsman, Talbot geheten, tegen de zin van de Sjiïtische hiërarchie, die ook toen al sterk tegen de uitverkoop van het land aan vreemde mogendheden was.
De toenmalige Ayatollah Chirazi liet toen weten dat het gelovigen tot nader order verboden was te roken. Aangezien er dus niemand meer rookte in Iran, was de Sjah verplicht zijn monopolie van de Engelsen terug te kopen, voor een globale som van een half miljoen pond sterling.
Dit was een historische datum, want hiermee was voor de eerste keer een Sjah gedwongen geweest te plooien voor de wil van de gelovigen, die als één man achter hun Ayatollahs stonden. Het voorbeeld zou nooit vergeten worden. Wie zijn nu deze Ayatollahs, die hun volgelingen de gekste dingen kunnen opleggen, zoals het verbod om te roken, en die daarin onvoorwaardelijk gevolgd worden?
©Iran va Yahan
Ayatollah is een eretitel, die dus niet met een eigenlijke functie overeen komt (zoals dat hier met een paus of een bisschop het geval is), en die wil zeggen: teken van God. Men wordt Ayatollah door dertig of veertig jaar lang als oelema (dat moet min of meer vertaald worden als 'schriftgeleerde' zonder de negatieve bijtonen daarvan) de nuances van de Islam bestudeerd te hebben gedurende een meer dan voorbeeldig leven, totaal gegarandeerd onomkoopbaar te zijn in een land waar sinds mensenheugenis alles gekocht
en verkocht wordt, en op een klare en duidelijke manier te formuleren wat er leeft onder het volk.
Hoofd-Ayatollah wordt men op dezelfde manier, door bij plebisciet van de gelovigen, de oelemaa's en de overige Ayatollahs, als de meest uitmuntende onder de Ayatollahs erkend te worden. Het spreekt dan ook vanzelf dat hier geen termijn op staat: men wordt niet tot 'wijze' benoemd voor twee of voor zes jaar. Iemand die een wijze is blijft dat, tot hij blijk geeft van het tegendeel.
Tot hij zich laat afkopen door een Sjah, bijvoorbeeld. De laatste Sjah heeft dat geprobeerd: maar zijn afgekochte 'wijzen' verloren bijna van de ene dag op de andere hun gehoor bij de mensen. De onafhankelijkheid van de Ayatollahs berust op financieel gebied op het feit dat ze leven van giften van de gelovigen - en alweer geven de gelovigen aan de Ayatollah van hun keuze.
Op die manier, en om het financiële hoofdstuk af te sluiten, het verhaal over de Sjah en de Ayatollah Khomeiny. Toen er in 1963 ontzettende rellen hadden plaatsgevonden rond de Ayatollah - bij de repressie van die rellen vielen er tienduizenden doden - zou de Sjah Khomeiny bij zich geroepen hebben, en hem twintig miljoen dollar beloofd hebben als hij weg zou gaan. De Ayatollah had de Sjah dan veertig miljoen geboden als hij weg wou gaan. Wie dan, is de Ayatollah Khomeiny?
Roehollah Khomeiny is, de naam zegt het zelf, geboren op negen april 1900 in Khomein, een dorp niet ver van Isfahan, zoon van een hoge geestelijke die in 1905 zou omkomen in de strijd voor een grondwettelijk regime. Opgevoed door zijn moeder en door een strenge tante, theologische studies in de heilige stad Qoem, opstandige geschriften al in 1942 met het oog op 'de onafhankelijkheid van het islamitische land en de vooruitgang van het volk van de Koran'.
Het is in 1961 dat Khomeiny komt bovendrijven als de leidende religieuze oppositiefiguur, tegen de 'witte revolutie' van de Sjah - en, zegt men, de Kennedy-administratie. In juni 1963 wordt hij aangehouden, wat een hevige reaktie en al gauw een opstand van het volk tot gevolg krijgt, en wordt dan weer losgelaten.
Een paar maanden later herbegint hij en wordt dan verbannen. In 1964 is dat: eerst naar Turkije, dan naar de voor Sjiïten heilige stad Nadjaf in Irak, waar hij blijft tot in september 1978, als de Iraakse autoriteiten hem, onder druk van de Sjah, het land uitzetten en hij naar het Franse Neauphle-le-Chateau gaat, niet ver van Parijs. Van daar af is het verhaal bekend.
Khomeiny heeft in de vroege jaren zestig al beslist - misschien nog veel vroeger -, dat hij het vel van de Sjah wou, dat de monarchie moest afgeschaft worden en een islamitische republiek opgericht. Dat waren natuurlijk allemaal dingen die voor beroepspolitici zowel in het Westen als in Iran te gek waren om los te lopen.
Vandaar de aanvankelijke, paternalistisch getinte sympathie voor de ouwe man met zijn witte baard en later, het aan verontwaardiging grenzende ongeloof toen bleek dat hij wel degelijk het vel van de Sjah gekregen had en dat het erin zat dat de rest van zijn programma ook hoe langer hoe realistischer aan het worden was.
©Iran va Yahan
Ongeloof: niemand achtte het immers nog mogelijk in het laatste kwart van de twintigste eeuw dat een oude ziener op zesduizend kilometer afstand in staat zou zijn tienduizenden mensen zo gek te krijgen dat ze ongewapend op de mitrailleuses van de Sjah afstapten. Niemand dacht nog aan de waarde die de Sjiïten traditioneel aan het martelaarschap hechten. Verontwaardiging: vooral bij links werd het de Ayatollah haast kwalijk genomen dat hij het werk gedaan had waar links nooit aan toe gekomen was.
Op welke manier is ook die Islamitische republiek nu realistisch? Als er niet direct een burgeroorlog komt, kunnen we de zaken ongeveer zo stellen: ten eerste heb je hier een man die al meer dan zestig jaar een doctrine bestudeert die zich expliciet met maatschappelijke organisatieproblemen bezighoudt, en die vaag genoeg is en interpretatiemogelijkheden genoeg openlaat om heel ons politieke scala van uiterst rechts tot en met uiterst links te omvatten.
Wat gaat die man beslissen? Men kan erop wijzen dat de Ayatollah niet alléén beslist: hij is omringd, bijna op z'n Amerikaans, door een braintrust van professoren en experts waar de Sjah U tegen zou zeggen. Het beeld van de eenzame oude geestelijke kan dienst doen als vlag, maar politiek gezien is het een fabel.
Enerzijds heeft de oude wijze nog geen enkele fout gemaakt, is hij erin geslaagd zijn volk tot nog toe van de onvermijdelijk lijkende burgeroorlog weg te houden, anderzijds schijnt hij - en schijnen de technici die hem omringen - vastbesloten om, steunend op het volk van de gelovigen, te proberen voor de eerste keer een moderne, progressieve en waardige Islamrepubliek op te bouwen.
Het feit dat daar geen enkel bevredigend historisch voorbeeld van bestaat, kan naast het feit gezet worden dat er zo ook geen voorbeeld bestaat van een socialistische republiek, of van welke andere ook. De democratie wil dat, als de Perzen vinden dat met de charismatische Ayatollah hun verdwenen Imam is teruggekomen en dat nu het rijk van Allah kan opgebouwd worden, dat ze dan het recht hebben om dat te proberen.
Sus Van Elzen
