Charles Ducal - Alle poëzie dateert van vandaag
28/01/2010 15:00
In 2007 begonnen het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Poëziecentrum met de publicatie van een 'Gedichtendagessay'. In Alle poëzie dateert van vandaag, het derde essay in de reeks, brengt Charles Ducal een briljant geschreven pleidooi voor poëzieonderwijs.
En zo'n pleidooi is nodig, weet Ducal, die zelf leraar Nederlands is in een middelbare school. 'De opvatting dat poëzie een kunstdiscipline is waarvan men de taal (en de geschiedenis) moet leren, is bezig geruisloos te verdwijnen', schrijft hij. Een en ander is de schuld van 'de leerplanmakers', die in het onderwijs alleen nog aandacht wilden voor 'genietend lezen', 'eigen creativiteit', 'over gevoelens praten'.
Dat heeft tot het kwalijke gevolg geleid dat leerlingen de oude spreuk van Martinus Nijhoff, 'Lees maar, er staat niet wat er staat', zijn gaan interpreteren als 'lees maar wat u wilt dat er staat'. Wat die leeshouding voor interpretaties oplevert, kunt u in het essay lezen. Maar hoopgevend zijn ze niet.
Ducal wil teruggaan naar de basis van het gedicht, zoals die geformuleerd werd door zijn professor Engelse literatuur aan de K.U.L., de vermaarde Herman Servotte. In 1971 begon die zijn cursus met een definitie: poëzie was, volgens hem, 'highly organised speech' . Geen uitdrukking van gevoelens, geen goed vermomde boodschap, maar een zeer beredeneerde vorm van taalgebruik.
Die opvatting ligt aan de kern van Ducals essay. 'Een dichter is, net als een schilder, niet bezig gevoelens of stemmingen te uiten. Hij is bezig voor gevoelens of stemmingen (of wat dan ook) een taal te creëren.' Poëzie is in wezen 'een taalervaring'.
Wil je gedichten lezen, dan komt het erop aan je meester te maken van de taal die de dichter heeft neergepend. 'Lees maar, er staat wat er staat', is dan ook het polemische devies van Ducal. Net zoals je klassieke muziek pas goed kunt beluisteren als je de taal van de klassieke muziek kent en vele werken beluisterd hebt, zo kun je poëzie pas goed lezen als je veel poëzie gelezen hebt, en zo vertrouwd bent geraakt met haar taal. Hoe ervarener je bent als lezer, hoe groter de kans is dat je het volgende gedicht dat je leest, zult begrijpen. Dat inzicht moet het onderwijs aan de leerlingen bijbrengen.
De eerste stap die daartoe genomen moet worden, is de leerlingen ervan overtuigen de intrinsieke 'onbegrijpelijkheid' van elk gedicht te aanvaarden, schrijft Ducal, 'als een uitnodiging vanuit een nog ongekende taalwereld'.
Ten tweede is er vooral tijd nodig: Ducal hamert op 'geduld, openheid en concentratie' als voorwaarden tot een goede leeshouding, niet toevallig eigenschappen die anno 2010 niet zo evident meer zijn. En daarna komt het erop aan te lezen wat er staat: 'Semantiek en syntaxis leggen nu eenmaal hun wil op.' Op die manier kunnen leerlingen de wereld van de poëzie binnentreden. 'Scholing dient', aldus Ducal, 'om je persoonlijke smaak te ontwikkelen en niet om hem te fnuiken.'
Ducals boodschap klinkt, zo samengevat, misschien wat droog en schoolvosserig, maar dat is ze geenszins. Zijn essay is niet het resultaat van een academische visie op wat poëzie(onderwijs) zou moeten zijn, maar van een diep doorleefde onderwijs- en leeservaring.
Alle poëzie dateert van vandaag is een bezielde tekst, die overloopt van hartstocht voor de kracht van poëzie. Het is een pleidooi dat uitgaat van een altruïs-tische hoop: dat zoveel mogelijk leerlingen de pracht van een gedicht zouden kunnen leren te onderscheiden. Want een prachtig gedicht, zegt Ducal, 'brandt als een kus, snijdt als een mes, slaat in als in bliksem'.
Dat het bij het lezen van poëzie draait om, zoals Gerrit Achterberg het formuleerde, 'de juiste spanning' van de woorden, weet Ducal aannemelijk te maken door zijn eigen stilistische meesterschap. In Alle poëzie dateert van vandaag bespeelt hij vier genres even virtuoos: een exemplarisch verhaal over de betekenis van poëzie in het eerste hoofdstuk, een gedicht in het tweede en het vijfde hoofdstuk, een essay in het derde en een (fictieve?) correspondentie in het vierde.
Maar de kern van essay is natuurlijk de boodschap. Als auteur van het Gedichten-dagessay durft Charles Ducal tégen Gedich-tendag te schrijven. Poëzie heeft in zijn visie immers geen behoefte aan een groter publiek als dat publiek die gedichten niet kan lezen. Zijn pleidooi voor een herwaardering van het lezen wat er staat, is in wezen een zeer democratische boodschap. Want 'ook al leest maar twee procent van de leerlingen later nog gedichten, iedereen moet de kans krijgen om bij die twee procent te horen'. Stof tot nadenken voor Pascal Smet.
Geboren in 1952.
Pseudoniem van Frans Dumortier.
Debuteerde in 1987 in Twist met ons, een beruchte bloemlezing die ook werk bevatte van Bernard Dewulf, Erik Spinoy en Dirk van Bastelaere.
Met Kamiel Vanhole publiceerde hij in 1993 Over de voorrang van rechts, een correspondentie over de opgang van het Vlaams Blok.
Kreeg voor verschillende bundels de Prijs voor letterkunde van de Vlaamse provincies, de Prijs van De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In 2007 won hij de Herman de Coninckprijs voor zijn bundel In inkt gewassen (2006).
Zijn recentste bundel is Toegedekt met een liedje (2009).
Vlaams Fonds voor de Letteren,Poëziecentrum, Atlas
Aantal pagina's: 62
Prijs: 2,50 euro
Bart Van der Straeten
Meer artikels over:
reactie(s) op " Charles Ducal - Alle poëzi ..."





Reageer